Archeologen Zonder Grenzen (1): Johan Claeys
Ontwikkelingshulp in Bolivia
Oruro, hoofdstad van het gelijknamige departement in de Boliviaanse hoogvlakte (op 3750 m hoogte), is de komende maanden mijn uitvalsbasis (afbeelding links). De stad beschikt over een geschiedenis die leest als een goed boek, maar dan zonder de hoogtepunten. Het lijkt wel alsof ze overal net naast grijpen: in de 17e eeuw was Oruro even de tweede grootste stad bezuiden de evenaar, het is de tweede hoogstgelegen grootstad van de wereld en binnen het departement bevindt zich de net-niet grootste zoutvlakte van deze aardkluit. Waarom zou een toerist dan in godsnaam ook opduiken in dit door wind geteisterde stukje Bolivia, wanneer de hoogste en grootste mijnstad (Potosí) en de grootste zoutvlakte (Uyuni) zich binnen enkele spreekwoordelijke steenworpen bevinden? Zo hebben de reisgidsen het ook begrepen. Een bloemlezing: Trotter: “Je zal hoogstwaarschijnlijk alleen in Oruro komen om de bus of de trein te nemen”: Guide du Routard: “Oruro, en hiver ravagé par le froid, n’a pas grande chose a offrir.” Footprints: “The normally cold and austere city of Oruro only bursts to live during its week of Carnival.” Dumont: “Oruro ist eine wenig attractive Bergarbeitersiedlung auf kalten 3700 m Höhe.” Lonely Planet laat als enige nog een beetje ruimte voor een tweede opinie: “Oruro leaves no-one indifferent: you either hate it or you love it.”
Na een tweetal weken in Oruro heb ik voor mezelf de knoop nog niet helemaal doorgehakt, maar de balans begint toch al in de positieve richting door te wegen (haat en liefde kunnen nu eenmaal dicht bij elkaar liggen). Het carnaval (in februari) zal ik hier in ieder geval niet kunnen meemaken. Voor de doorsnee toerist heeft de stad buiten het carnaval inderdaad relatief weinig ‘attracties’ te bieden. Maar wat heten attracties in Bolivia? Een land dat een rijkdom biedt aan kansen die je bijna nergens anders vindt: uitzonderlijke natuurtochten van alpien tot tropisch, coca kauwen met een anaconda rond je nek, als vreemdeling opgezogen worden door soms bevreemdende maar zo gastvrije culturen,… En uiteraard blijft Bolivia een nog grotendeels te ontdekken parel op archeologisch gebied. Het wereldberoemde Tiwanaku is wellicht de enige archeologische locatie die een belletje doet rinkelen bij de leek.
Het departement Oruro vormt mijn werkgebied. Het gebied is ruim 57.000 km groot (bijna 2x België) en is doorspekt met sites die dateren vanaf het Paleo-Indio (8000-5000 BC) tot de koloniale overblijfselen van de Spaanse veroveraars. Overleven op de barre Altiplano moet altijd een extreme uitdaging geweest zijn en dwingt de nodige respect af. En toch was net dit onherbergzame gebied voor duizenden jaren de bakermat van rijke culturen als de Chiripa, Wankarani, Tiwanaku, Mollo, Inka,… Heel veel kennis moet sinds de strooptochten van de conquistadores verdwenen zijn. Het is pijnlijk om te merken hoe men vroeger met ingenieuze landbouwtechnieken en complexe relaties van handel en redistributie in staat was grote beschavingen in stand te houden. Veel van die technieken pasten wellicht niet binnen het westerse gedachtegoed en zijn in schrikbarend korte tijd verdwenen en vergeten. Indien archeologie op haar eigen manier kan bijdragen aan het herontdekken van die oude kennis, dan kom je inderdaad vrij snel in het vaarwater van ontwikkelingshulp.
Er is op archeologische vlak reeds de nodige aandacht besteed aan de hoogvlakte van Bolivia, voornamelijk door buitenlandse universiteiten uit de VSA, Canada, Engeland, Chile, Frankrijk en zelfs uit Finland en Hongarije. Hun niet-Spaanstalige onderzoeksrapportages verschenen echter in voor Bolivianen onbereikbare reeksen met klinkende namen als ‘Bulletin de l’Institut Français d’Études Andines’ of ‘University of Pittsburgh Memoirs in Latin American Archaeology’. Het verzamelen en bundelen van al deze verspreide gegevens tot een leesbare Spaanstalige inventaris kan één van de hoofdbestanddelen van mijn werk hier vormen.
Veldwerk komt er wellicht ook bij kijken. De organisatie waarvoor ik werk, Centro de Ecología y Pueblos Andinos (CEPA), beheert een gebied van ruim 60 ha op een tiental kilometer van het centrum van Oruro. Hier in Chusakeri heeft CEPA in een natuurlijke inham een ecologische ranch opgebouwd. Op de heuvel grenzend aan de inham bevinden zich enkele tientallen adobe grafmonumenten (chullpas – zie afbeeldingen rechts). Het zou een mooie opdracht zijn om deze monumenten in kaart te brengen, mogelijk in combinatie met prospectief onderzoek van de onmiddellijke omgeving, waar duizenden scherven verspreid liggen. Chullpas zijn een soort dodenhuizen of -torens uit het Intermedio Tardio (1200-1450 n.Chr.) waarin mummies van de welgestelde overledenen in foetale houding werden bijgezet.
Er is overigens een intrigerende mythe verbonden aan de chullpas:
“Lang geleden, nog voor de zon bestond, waren de chullpas de huizen van de voorouders. Op een dag kwam er de waarschuwing dat de zon zou opstaan in het westen. Daarom bouwde de bevolking hun huizen met de opening naar het oosten, zodat ze niet zouden verbranden onder de hitte van de zonnestralen. De zon kwam echter toch op in het oosten en doodde iedereen zodat enkel nog de uitgedroogde mummies overbleven.”
Slechts enkelen zouden de ramp overleefd hebben, met name de Uru’s. Toevallig bracht een eerste tweedaagse excursie ons naar een paar dorpen in het zuidwesten van het departement, waar afstammelingen van de 4000 jaar oude Uru-cultuur leven (afbeelding rechts). Op twee locaties, in Chipaya en Ayparabi, beide grenzend aan de zoutvlakte van Coipasa, worden er door CEPA Casas de Cultura opgericht (foto onderaan links). Dit vormt een onderdeel van een project van acht dergelijke cultuurhuizen verspreid over afgelegen dorpen binnen het departement. Deze locaties moeten niet alleen onderdak kunnen bieden aan een klein museum rond antropologie, folklore, archeologie,… maar moeten ook de uitvalsbasis vormen voor allerlei culturele activiteiten binnen de dorpen. De nadruk ligt niet zozeer op het aanzwengelen van etnotoerisme maar eerder op de betrokkenheid van de dorpen in het herontdekken van hun eigen verleden en rijke cultuur. Meehelpen aan dit project geeft me de kans om op plaatsen te komen waar toeristen nauwelijks geraken en onderweg de nodige archeologische observaties te kunnen doen.
Het mag duidelijk zijn dat ik mijn zes maanden hier gemakkelijk zou kunnen vullen met studeren (Andesculturen, lokale archeologie en geografie, Spaans – er staat hier al een halve bibliotheek in mijn kast). Maar Broederlijk Delen draait uiteraard even zeer rond het contact met de plaatselijke bevolking, het leveren van praktische hulp en het uitwisselen van kennis. Daarnaast zijn er nog een paar aspecten die wellicht eufemistisch binnen het terrein van de preventieve archeologie vallen. Zo zijn er de ruïnes van een oude Uru-(hoofd?)stad die zwaar lijden onder erosie door een seizoengebonden rivier, een provincieprefect die per sé een bataljon militairen wil inhuren om een verzameling rotsgraven ‘op te kuisen’ of de nog steeds oprukkende werkzaamheden van de mijnbouwreus Inti Raimi. Zoals eerder vermeld zal ik al blij mogen zijn indien ik een voedingsbodem kan leveren aan enkele van die plannen. Ik voel me in ieder geval erg bevoorrecht hier te mogen aan meehelpen en het besef dat het hier om méér gaat dan een job zit er diep genoeg ingebakken. Hopelijk kan ik jullie in de nabije toekomst op de hoogte houden van de vorderingen.
Afbeeldingen: Johan Claeys
