banner archeonet

Machtige heuvels


Maarten Berkers onderzocht de West-Vlaamse mottekastelen

Het onderzoek naar het mottekasteel of de castrale motte neemt een belangrijke plaats in binnen het onderzoek naar de middeleeuwse aarden versterkingen. Vanaf de 11de tot de 13de eeuw was dit tweeledig kasteeltype, voornamelijk opgebouwd uit hout en aarde, de belangrijkste in Vlaanderen en grote delen van West-Europa. Archeoloog Maarten Berkers studeerde vorig jaar af aan de UGent met een licentiaatsverhandeling over mottekastelen.

"Het onderzoek in onze streken kende haar hoogtepunt in de jaren zeventig en tachtig van de twintigste eeuw," weet Maarten. "Heel wat sites konden toen genieten van archeologisch onderzoek en de basis voor onze kennis werd in deze periode gelegd. Sinds het einde van de jaren tachtig is er echter nauwelijks nog grootschalig of systematisch onderzoek naar mottekastelen in Vlaanderen. De reden hiervoor is vooral de opkomst van de preventieve archeologie en de noodopgravingen, waarbij het gros van de aandacht, middelen en energie worden gekanaliseerd naar sites die op korte termijn bedreigd zijn door bodemingrepen. Voor thematische opgravingen is in de actuele context nog weinig ruimte, enkel sporadisch komen er bij noodonderzoek nog nieuwe gegevens of sites aan het licht. Een voorbeeld in West-Vlaanderen is het recent opgegraven kasteel van Reninge. Dit alles heeft als resultaat dat er de laatste vijtien jaar weinig nieuwe archeologische data aan het licht zijn gekomen."

Reeds in het verleden werden er twee licentiaatsthesissen aan het onderwerp van de mottekastelen gewijd. Sam De Decker behandelde de mottes in Oost-Vlaanderen (1998), Britt Claes die van Vlaams-Brabant (2002). "Mijn onderzoek spitste zich toe op West-Vlaanderen alsook het Franse arrondissement Dunkerque," vertelt Maarten. "Dit komt zowat overeen met de noordwestelijke kern van het oude graafschap Vlaanderen. In totaal heb ik 33 sites besproken, zowel bewaarde als niet–bewaarde sites die zich bevonden in een landelijke of stedelijke context. Het gaat hier zeker niet over een exhaustieve lijst van sites. Als we ervan uit gaan dat elke heerlijkheid in de volle middeleeuwen een kasteel had, moeten we beseffen dat er waarschijnlijk een veelvoud aan mottekastelen zijn geweest."

Voor deze 33 sites verzamelde Maarten alle gekende gegevens op vlak van geschiedenis, archeologie, morfologie, cartografie... en behandelde deze in dossiervorm. De bedoeling was dan om deze sites met elkaar te vergelijken en op vlak van morfologie, chronologie, inplanting etc. tot een synthese te komen. Maarten: "Uit ons onderzoek kunnen we afleiden dat de eerste mottekastelen in onze regio verschijnen vanaf 1050. Ze situeren zich vooral in de in de dezelfde periode opgerichte kasselrijen en ook in de domeinen van belangrijke en machtige adellijke families. Het is dus, op een enkele uitzondering na, de hoge adel (de graaf, burggraven en pairs) die het voortouw neemt. De lage adel lijkt pas vanaf het begin van de 12de eeuw voluit op de kar te springen. Uit het onderzoek blijkt ook dat diezelfde hoge adel vooral voorkeur heeft voor grote mottekastelen, iets wat ook al uit de thesis van De Decker bleek. Er moet een enorme symboliek zijn uitgegaan van deze sites, dit naast hun belangrijke militaire en residentiėle functie."

Vanaf de 2de helft van de 12de eeuw bemerkt Maarten een terugval in het oprichten van mottekastelen. Kenmerkend is het voorbeeld van Ieper, waar graaf Filips van de Elzas het mottekasteel nabij de Sint-Pieterskerk rond 1168 omvormt tot een meer residentiele verblijfplaats. "Als we weten dat diezelfde graaf in 1180 ook de motte van het Gravensteen te Gent transformeert, mogen we voor de topadel toch spreken van een mentaliteitsverandering. Vanaf de 13de eeuw is het mottekasteel op zijn terugweg om op het einde van de 13de en zeker in de loop van de 14de eeuw volledig te verdwijnen. De circulaire en polygonale stenen kastelen zijn dan de belangrijkste kasteeltypes geworden." Toch worden er tijdens de 13de eeuw nog mottekastelen gebouwd, niet zozeer met een militair doel voor ogen maar vooral wegens de grote symbolische waarde. Een gekend voorbeeld is dat van Loker (foto links) waar de heren van Bethune in de vallei van de Galooie een motte oprichten als bekrachtiging van hun macht over de heerlijkheid.

Hoewel het mottekasteel wat naar de achtergrond van de Vlaamse archeologie is verdrongen, is het volledige verhaal over deze sites nog zeker niet geschreven. "Historisch onderzoek, beperkte archeologische ingrepen samen met topografisch onderzoek zouden heel wat leemtes in onze kennis kunnen opvullen. Anderzijds moeten ook streven naar een efficiente bescherming van deze imposante aanwezigheden in het landschap, zonder daarvoor vernieuwend onderzoek te moeten weigeren. Dit houdt in dat het brede publiek moet worden geinformeerd over de geschiedenis en het belang van het mottekasteel in de middeleeuwse samenleving van de 11de tot de 13de eeuw. Meestal blijft er niet veel meer over dan de motteheuvel zelf en - zolang niet wordt gewerkt aan een breder draagvlak - zal een aarden heuvel gedoemd zijn om op termijn te verdwijnen," besluit Maarten.

Maarten Berkers is momenteel aan de slag als projectarcheoloog op de site Barbarahof in Leuven
Contact: maarten.berkers@gmail.com.