banner archeonet

Een Romeinse baanpost in Velzeke


Johan Deschieter onderzocht de periferie van de vicus

In 1997 startte het Oost-Vlaamse provinciebestuur in overleg met het PAM-Velzeke de preventieve opgraving van een zes hectare groot terrein ten noordoosten van de huidige Velzeekse dorpskern. Dit areaal ligt aan de zuidoostelijke periferie van de Romeinse bewoning in Velzeke, en is voorbestemd als bouwgrond voor een sociale woonwijk. Het terrein bestaat uit een hoger gelegen leemplateau, dat in het noordwesten overgaat in een tien meter lager gelegen depressie.

Johan Deschieter, projectarcheoloog in Velzeke, splitst het terrein op in twee delen: "De noordelijke sector is een zone met veel nederzettingssporen. Deze strook maakt deel uit van de eigenlijke vicus en ligt ingeklemd tussen een reeks smalle grachten en een brede kiezelweg die reeds vanaf de voor-Flavische tijd een belangrijke uitvalsweg voor de vicus was. De archeologische sporen gaan terug tot in de Flavische tijd (69-96 na Christus), een periode die gekenmerkt wordt door de aanwezigheid van leemwinningsputten. Indirecte indicaties wijzen verder ook op een kleinschalige metaalverwerkende bedrijvigheid. Wellicht hangen die activiteiten nauw samen met de ontsluiting en incorporatie van de oostelijke sector binnen het grondgebied van de uitdeinende vicus op het einde van de eerste eeuw."

"Het fenomeen van leemexploitatie wordt opnieuw nadrukkelijker vanaf het laatste kwart van de 2de eeuw na Christus. De leemputten uit die tijd onderscheiden zich door hun grotere afmetingen en hun regelmatige, vaak rechthoekige plattegrond, vaak met steile, rechte wanden. Omstreeks het midden van de derde eeuw bedekte men het areaal tussen de weg en de afbakeningsgrachten met een pakket aarde waaruit we heel wat metalen objecten en residueel materiaal konden recupereren. Het laatste teken van leven komt er kort na 260 wanneer een kleine muntschat aan de bodem wordt toevertrouwd. Het betreft een spaarschatje samengesteld uit 186 antoniniani en denarii."

Het zuidelijke gedeelte van het opgegraven terrein bestaat uit een licht afhellend plateau. Hier ontdekten de archeologen een trapeziumvormig complex van ongeveer 150 meter lang en 80 meter breed, omgeven door een gracht. "Dit ‘enclosure’ situeert zich tussen de Flavische tijd en het derde kwart van de 3de eeuw na Christus," vertelt Johan. "De opgravingen brachten een twee grachten met palissades aan het licht. Een zuidelijke sloot gaat schuil onder de gemeentelijke begraafplaats."

"We werden hier geconfronteerd met een gebied met open ruimtes en slechts weinig kuilen, maar vooral met gebouwsporen. We konden deze sporen herleiden tot zes gebouwplattegronden en een drietal spiekers. Daarnaast vonden we ook vier waterputten en funderingen van een stenen constructie uit de derde eeuw. Met uitzondering van deze steenbouw, liggen de gebouwen doorgaans parallel met of loodrecht op de grachten georiënteerd. In tegenstelling tot wat we in de vicus aantreffen, bevatten de kuilen hier weinig of geen materiaal. Slechts één context uit de Flavische tijd bevatte een substantiële hoeveelheid ceramisch materiaal." Uit deze discrepantie en de perifere ligging van het domein besluit Johan dat het hier gaat om een aparte entiteit.

Enclosures, gelegen aan de zoom van nederzettingen of van stedelijke agglomeraties worden in de provinciaal-Romeinse archeologie vaak geïnterpreteerd als zogenaamde baanposten. Dat zijn officiële, door de Romeinse administratie opgerichte afspanningen of halteplaatsen. Weggebruikers konden hier overnachten of gebruik maken van een aantal faciliteiten (baden, verse paarden of trekossen, reparatie van voertuigen). Dit complexe netwerk van diverse wegstations, dat zich over het ganse Imperium Romanum uitstrekte stond bekend als de cursus publicus, een term die eigenlijk uit de laat-Romeinse tijd stamt.

Dergelijke baanposten lagen op regelmatige afstand van elkaar verwijderd: binnen een ruimer, Noord-Gallisch perspectief lijkt het aannemelijk dat dergelijke afspanningen bestonden in de directe buurt van grote nederzettingen, zoals in Wervik, Kortrijk, Asse, Elewijt, Tienen - allen gelegen op de belangrijke verkeersader tussen de Noordzee (Boulogne-sur-mer) en de Limes (Keulen). In dat opzicht is het interessant te onderzoeken welke bijdrage de cursus publicus zou kunnen geleverd hebben binnen het Romaniseringsproces in onze gewesten. "In het buitenland zijn een aantal gelijkaardige baanposten archeologisch onderzocht, maar deze voorbeelden liggen doorgaans geïsoleerd, tussen twee agglomeraties in," weet Johan. "Hier in Velzeke krijgen we een unieke kans om een dergelijke statio of mutatio in relatie tot de dichtbij gelegen vicus te bestuderen."

"De nabijheid van een dergelijk officieel centrum bij de vicus opent nieuwe denkpistes met betrekking tot de interpretatie van Velzeke. Het bewijst in de eerste plaats dat de vicus een belangrijk regionaal wegenknooppunt was." De inrichting van de grote baanpost te Velzeke gebeurde tijdens de periode van de Flavische keizers In die periode ontstonden heel wat nieuwe nederzettingen in Noord-Gallië, terwijl bestaande dorpen een opmerkelijke uitbreiding kenden. Dit laatste was onder meer het geval in Velzeke." Gezien de vroege ontwikkeling van de Romeinse bewoning in Velzeke vragen we ons af of er geen oudere, officiële halteplaats aan de baanpost is voorafgegaan. Wellicht lag die op een andere locatie, een verschuiving die mogelijk samenhangt met de chronologische ontwikkeling van het wegennet," besluit Johan.

Johan Deschieter is projectarcheoloog bij het Provinciaal Archeologisch Museum Velzeke.
Contact: johan.deschieter@tiscali.be.