banner archeonet

Christenen en de dood


Renaat Jonckheere bestudeerde het ontstaan van de christelijke catacomben in Rome

Begin mei verdedigde de Vlaamse archeoloog Renaat Jonckheere aan de Universiteit Utrecht zijn doctoraat over het ontstaan van de catacomben in Rome. Op basis van een uitgebreide studie van het heidens en christelijk archeologisch materiaal over begrafenis en rouw, in combinatie met een lezing van de teksten van antieke auteurs over de funeraire organisatie, toonde Jonckheere aan dat de catacomben een christelijke uitvinding zijn.

ArcheoNet: Waarom onderzocht u het al vaak bestudeerde ontstaan van de catacomben en wat is dan ook het vernieuwende aspect van uw studie?

Renaat Jonckheere: “Wanneer ik het ongeveer 400-jarige catacombenonderzoek vanaf A. Bosio (1575–1629) tot op heden bekeek, stelde ik vast dat het ontstaan van de catacomben op verschillende wijzen gereconstrueerd werd. Evenzeer legio waren de daartoe aangedragen argumenten. Ik kon echter aantonen dat er drie redenen waren die tot deze verschillende reconstructies geleid hebben. Ten eerste is er de ideologische achtergrond. Vroegere onderzoekers plaatsten de christenen lijnrecht tegenover de “wrede heidense maatschappij”, waardoor de christenen wel over eigen begraafplaatsen moesten beschikken aangezien ze volgens hen niet tussen heidenen wilden begraven worden. Dit beeld is evenwel niet langer houdbaar. Andere onderzoekers gebruikten de catacomben als bewijs voor de “orthodoxie” van de Katholieke Kerk van Rome in de Contrareformatie. Een duidelijk voorbeeld hiervan is de stelling dat de christenen van Rome reeds vanaf de Apostolische periode over eigen begraafplaatsen moesten beschikken. Ten tweede is er de archeologische kennis. De vroegste onderzoekers hadden namelijk nog geen kennis van pas later ontdekte catacomben. Ten derde is er de historische kennis. Bepaalde geschreven bronnen die handelen over de christelijke funeraire organisatie werden namelijk pas later ontdekt. In het moderne onderzoek is er bovendien nog een sterk dualisme aan te duiden: ofwel ligt alle nadruk op het archeologisch materiaal (terwijl de geschreven bronnen quasi volledig op de achtergrond blijven of zonder nieuwe lezing overgenomen worden van vroegere onderzoekers) ofwel ligt de nadruk op de geschreven bronnen. Een dergelijke eenzijdige benadering is echter niet bevredigend. Vandaar dat ik er voor geopteerd heb om beide benadering in mijn studie te betrekken zodat een zo volledig mogelijke reconstructie kon opgesteld worden. Op deze wijze kon de tot voordien veelvuldig aangehaalde hypothese dat de catacomben van Rome een christelijke vinding waren nu ook bewezen worden”

Wat kon u besluiten op basis van het archeologisch materiaal?

Renaat Jonckheere: “Het pagane funeraire archeologische materiaal (columbaria – mausolea – hypogea) vormde mijn uitgangspunt. Ik wilde namelijk nagaan of de christelijke hypogea en kernen van catacomben getuigden van een ander “karakter”. Hiervoor analyseerde ik talrijke pagane en christelijke grafconstructies die ontstaan zijn tussen de Augusteïsche periode en het begin van de vierde eeuw n.Chr. Het christelijke materiaal kon echter pas getraceerd worden vanaf ongeveer 200 n.Chr. omdat er vóór deze datum nog geen uitgesproken christelijke iconografie en epigrafie bestonden die een religieuze toewijzing toelaten. Op basis van de analyse kon ik vervolgens patronen opstellen. Deze patronen, bijvoorbeeld inzake de opbouw, de decoratie en de graftypologie, wezen er duidelijk op dat de christelijke begraafplaatsen – naast enkele overeenkomsten – in talrijke belangrijke aspecten verschilden van de pagane grafconstructies. Bovendien werd bij het christelijke materiaal duidelijk dat de eerste grafconstructies die ontstonden vanaf ongeveer 200 n.Chr. hoofdzakelijk werden opgericht door families die hun graven openstelden voor niet-familieleden. Vanaf 250 n.Chr. echter ziet men dat de Kerk deze taak op zich neemt en dit ten nadele van de families. Verder kon ik op basis van deze patronen ook aantonen dat de zogenaamd neutrale hypogea (dit zijn hypogea die geen directe religieuze toewijzing toelaten wegens het ontbreken van een uitgesproken christelijke of pagane iconografie of epigrafie) eigenlijk christelijke hypogea zijn die hoofdzakelijk aan families toebehoorden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat deze constructies óók in de eerste helft van de derde eeuw werden opgericht.”

Wat kon u besluiten op basis van het historisch onderzoek?

Renaat Jonckheere: “In de pagane funeraire organisatie is het centrale thema public display. Hiermee bedoel ik dat de oprichters en/of de doelgroep van een grafconstructie hun sociale positie wilden benadrukken of zelfs overwaarderen. Zo moet men over de nodige sociale relaties beschikken om als niet-familielid toch toestemming te krijgen om begraven te worden in een familiegraf. In dezelfde zin moeten ook de grote columbaria uit de eerste helft van de eerste eeuw n.Chr. en het funeraticium van Nerva (een geldelijke tegemoetkoming voor een begrafenis van het plebs) beschouwd worden: de populariteit van het keizerlijke huis verzekeren. Ook bij de collegia (verenigingen) ziet men dat het sociale aspect de belangrijkste drijfveer is. Het funeraire aspect behoort hier eveneens toe, maar is niet de primaire reden voor het oprichten van dergelijke verenigingen. Vandaar dat collegia funeraticia in de strikte zin van het woord nooit bestaan hebben. Bij de christelijke funeraire organisatie tekent zich een volledig verschillend beeld af: hier zijn het aspect van public display en de noodzaak aan sociale relaties naar de achtergrond verdreven. Op basis van de primaire geschreven bronnen werd namelijk duidelijk dat de funeraire zorg voor de armen het centrale thema is. Niet de drang om apart van heidenen of heterodoxen begraven te worden of het scheppen van een ruimtelijke context voor funeraire rituelen en eucharistievieringen gaven aanleiding tot het oprichten van christelijke begraafplaatsen. De van meet af aan grotere christelijke hypogea en primitieve kernen met een zeer sobere decoratie en graftypologie wijzen eveneens op het concept van het voorzien van een graf (eventueel mits een kleine financiële tegemoetkoming) voor “alle” christenen. Aldus kon ik op basis van de geschreven en archeologische bronnen aantonen dat de christelijke funeraire organisatie in al haar aspecten zich een typische weg baande, geënt op maar zich verwijderend van de pagane funeraire organisatie.”

Recent onderzoek toonde evenwel aan dat de joodse catacomben van Rome ouder zijn dan dat tot op heden gedacht werd. Welke gevolgen heeft dit voor uw conclusie?

Renaat Jonckheere: “Ik heb inderdaad bewust het joodse funeraire archeologisch materiaal achterwege gelaten in mijn studie om het materiaal in te perken. Bovendien speelden de joodse catacomben geen rol in mijn vraagstelling. Mijn opzet was na te gaan in welke mate de hypothese klopt dat de catacomben een christelijke en dus niet pagane vinding zijn. Bovendien werd de joodse Villa Torlonia-catacombe gedateerd via C14. Wil men de christelijke catacomben vergelijken met de joodse catacomben dan moet men die dateringstechniek ook eerst toepassen op de christelijke grafconstructies. Overigens moet ook nagegaan worden welke concepten aan de basis lagen voor het oprichten van de joodse catacomben. Dan pas is het mogelijk om de mogelijke beïnvloeding tussen de joodse en christelijke catacomben van Rome na te gaan.”

Renaat M.G. Jonckheere studeerde in 2000 aan de K.U.Leuven af met het proefschrift getiteld “Het catacomben-onderzoek door Louis Reekmans. Status quaestionis en perspectieven”. Vanaf 2000 volgde hij aan de K.U.Leuven de aanvullende opleiding Vroegchristelijke en Byzantijnse Studies die hij in 2002 met succes beëindigde. Beide laatstgenoemde studies voerden hem meerdere maal naar Rome om de catacomben te bestuderen. Vanaf 2002 tot en met 2006 was hij verbonden aan de Universiteit Utrecht waar hij medewerker was van het 'The Rise of Christianity'- project onder leiding van Prof. Dr. L.V. Rutgers.
Contact: renaat.jonckheere@skynet.be.