De Gallo-Romeinse tumulus van Tienen-Grijpen
Marleen Martens over funeraire maaltijden, rituele kuilen en hondenfoetussen
In de zomer van 2002 kwamen in Grijpen (Tienen) totaal onverwacht de overblijfselen van de houten grafkamer van een tumulus van aan het licht. De tumulus van Grijpen bevond zich aan de zuidwestelijke rand van de vicus van Tienen, niet ver van een grafveld langs een uitvalsweg.
Marleen Martens is archeologe in Tienen en vertelt aan ArcheoNet over de vondst van de Gallo-Romeinse tumulus: "De houten grafkamer (3,70 op 3,10 meter) werd aangelegd in een schacht met een diameter van 5 meter en een diepte van 3,80 meter. Ze was gefundeerd op vier palen in de lange zijden en drie palen in de korte zijden. In één van de paalkuilen werd een terracotta beeldje van Dionysus/Bacchus gedeponeerd (foto rechts). Over de bodem van de grafkamer waren de brandstapelresten uitgestrooid, met een duidelijke concentratie in de zuidelijke hoek. Hierbij lagen enkele potten, een vierkante fles, twee munten en een mantelspeld in brons."
De grafkamer was bedekt met een houten deksel. Op dit deksel trof de archeologe het skelet van een vrouw, een paard, drie honden en tientallen hondenfoetussen aan. Daarbij stonden een aantal volledige potten in aardewerk: twee kookpotten, een kan, een kom met dekselgeul, enkele bekers in Tiens aardewerk en een beker en een bord in terra sigilatta.
"Het ensemble bronzen voorwerpen bestond uit vijf mantelspelden, een haarspeld, twee knoppen, een beslagplaat en een kraal. Verder lagen op het deksel drie glazen kralen, een geribde kom, een cylindervormige fles en een deel van een biconische beker in zwart glas. De depositie op de deksel werd met een laag zand bedekt. Vervolgens werd de schacht opgevuld met 'afval' van funeraire maaltijden en andere offers. Hierboven bevond zich een concentratie van verbrande leem en houtskool. De schacht was vervolgens afgesloten met een laag dikke kwartsietblokken. Hierover werd uiteindelijk de tumulusheuvel opgeworpen," vertelt Marleen.
De tumulus zelf zou in de middeleeuwen afgegraven zijn voor gebruik in de baksteenproduktie. Marleen weet ons te vertellen dat de tumulus vermeld werd in een manuscript van 22 juni 1469, dat nu in het bezit is van een dokter uit Tienen. De tekst verhaalt over het eigendom van enkele percelen: "...beemden lants gelegen buyte(n) dmoelengat van thien(en) omtrint der tom(m)en...".
"Het opgraven en de studie van dit graf was bijzonder complex," vertelt Marleen. "Zoals vaak het geval is bij tumulusgraven, was het deksel van de grafkelder gedeeltelijk ingestort. De voorwerpen die zich op het deksel bevonden zijn dus samen met de vullingslagen boven het deksel in de grafkamer terechtgekomen. Zo is de grafkamer zelf geleidelijk volledig opgevuld geraakt. Daarom werd besloten om de inhoud van de grafkamer vlak per vlak op te graven, de vondsten in detail in te tekenen en de volledige inhoud uit te zeven. Aan de hand van het aardewerk, het glas en de munten kan de tumulus gedateerd worden in het laatste kwart van de tweede eeuw."
In de omgeving van dit graf troffen Marleen en haar team nog een aantal kuilen aan met verbrande en onverbrande vondsten zoals keramiek, been, glas en brons. Deze zogenaamde 'rituele kuilen', waarvan de meeste zich onder de grafheuvel bevinden, zouden ook bij de tumuli van Coril-Noirment, Berlingen, Eben-Emael, Esch, Hoepertingen, Niel en Temploux voorkomen.
"De aanwezigheid van meerdere bijzettingen in één tumulus is zeldzaam, maar komt ook voor in de tumuli van Gors-Opleeuw, Hoepertingen en Thisnes." weet Marleen. "In totaal zijn er 342 tumuli gekend in de Civitas Tungrorum, waarvan minder dan de helft onderzocht werd. Hoewel de meeste omwille van de tijdsperiode uitzonderlijk slecht zijn opgegraven, kunnen we toch enkele interessante zaken vaststellen. Op het eerste lijkt het ongewoon dat er zo veel vondsten op het deksel van de grafkamer lagen. Bij de tumuli van Esch werden voorwerpen op de deksels van de grafkamers aangetroffen en ook in Overhespen worden twee geitenskeletten op het deksel vermeld. Vaak is er in de oude opgravingsverslagen ook sprake van vondsten in de grafkamer, boven de bodem. Deze werden echter niet volledig ingezameld en ook niet geregistreerd. Een aantal van deze vondsten bevond zich waarschijnlijk oorspronkelijk ook op het deksel van de grafkamer."
"Uit onze vondst blijkt eens te meer dat Gallo-Romeinse grafrituelen afhankelijk waren van de status van de overledene, familiale regels, de regels opgelegd door de Staat, lokale tradities en de omstandigheden van de dood. Voorgeschreven rituele handelingen moesten de overledene een gunstig nabestaan garanderen en de familie/gemeenschap een gerust gemoed. Bij een sterfgeval moest de familie te allen tijde de reinigingsrituelen in acht houden. Reinigingsrituelen waren afhankelijk van de omstandigheden waarin een persoon stierf. Wanneer een vrouw bijvoorbeeld stierf bij de bevalling, bracht dit onheil over de hele gemeenschap. Volgens de antieke bronnen moest men in zo'n geval puppies offeren aan de godin Hecate. Verder onderzoek van de vondsten zal ongetwijfeld meer informatie aan het licht brengen over de verschillende funeraire rituelen," besluit Marleen.
Marleen Martens (VIOE) leidt de opgravingen in Tienen.
Contact: marleenmartens@hotmail.com.
