Grafgebruiken van Oude Rijk tot Middenrijk
Lies Op de Beeck analyseerde vierduizend Egyptische graven
In het kader van haar doctoraat onderzocht Annelies Op de Beeck de grafgebruiken in de Egyptische Nijlvallei aan de hand van negen case studies, verspreid over Egypte. De grafvelden dateren van het late Oude Rijk tot het late Middenrijk, in absolute chronologie is dat van ongeveer 2300 tot 1650 voor Christus. Een interessante periode, aangezien er toen op politiek vlak belangrijke veranderingen plaatsvonden in Egypte. De oudste graven dateren van de zesde dynastie, toen Egypte politiek één was met centraal bestuur. In de Eerste Tussentijd die daarop volgt, winnen de provincies echter aan belang en verbrokkelt het centrale bestuur. Wanneer op het einde van het Middenrijk de Residentie (het hof) in Lisht verlaten wordt, is Egypte opnieuw politiek verbrokkeld.
Net omwille van deze opeenvolging van periodes van eenheid en discontinuïteit, wilde Lies proberen chronologische en regionale patronen te definiëren in de funeraire assemblages. “Daarvoor heb ik op basis van zo’n vierduizend graven alle mogelijke informatie over zowel de grafinhouden als grafeigenaars geanalyseerd. Een eerste stap was de functionele analyse van veertien categorieën van objecten uit de graven. Hiervoor moest ik, naast archeologische informatie, ook tekstuele en iconografische bronnen integreren.”
Ceramiek is één van de frequentst voorkomende categorieën in de graven. Een analyse van de ceramische assemblages uit het late Oude Rijk toont aan dat de hoeveelheid potten in het graf gelimiteerd was en bestond uit een soort ‘basisset’ die in zowel noordelijk als zuidelijk Egypte vast te stellen is. “Naast de basisset vond ik ook nog andere types, maar de uniformiteit is opvallend,” vertelt Lies. “In de graven van de laagste sociale klassen is de basisset vaak gereduceerd tot één van de types, een gesloten container.”
In de Eerste Tussentijd is het land niet langer politiek één, en dat zien we ook duidelijk in het archeologische materiaal. Niet alleen is er nu meer diversiteit in de types van potten, er komen ook meer potten voor per graf en er is een tendens tot kleinere volumes. Ook zijn er nu duidelijke regionale ontwikkelingen. Ik heb drie regionale groepen kunnen onderscheiden, die echter niet volledig geïsoleerd waren van elkaar. Sites die gelegen zijn in een zone tussen twee regionale ontwikkelingsgroepen vertonen een soort van ‘mixed assemblage’, bijvoorbeeld Deir el-Bersja of Beni Hasan.
De situatie is veel complexer wanneer het land weer herenigd wordt bij het begin van het Middenrijk. Het regionalisme blijft immers erg belangrijk in de ceramiek. In de tijd van Sesostris I (rond 1950) kunnen we in de omgeving van Lisht een nieuw corpus onderscheiden met eigen types en pasta’s, dat zich geleidelijk aan meer zuidwaarts verspreidt. “Ik heb echter kunnen aantonen dat dit een zeer complex proces was waarbij de sterkte van de contacten die een bepaalde site heeft met de Residentie invloed uitoefent op de snelheid waarmee nieuwe types geïntroduceerd worden.”
Lies stelde zich ook de vraag waarom bepaalde types van potten werden meegegeven en wat de rituele achtergrond was. “Op basis van iconografische bronnen bleek het mogelijk de volledige basissets van potten van het late Oude Rijk én van de verschillende regionale corpora van de Eerste Tussentijd te linken aan het offerritueel. Verschillende fasen van het offerritueel – zowel introductieriten als de reiniging van de offertafel met behulp van hes-vazen als de eigenlijke voedseloffers – zijn vertegenwoordigd in het ceramisch assemblage.”
Bij de potten uit het Middenrijk ligt de situatie weer iets minder eenvoudig. Niet alle ceramiekvormen komen ook voor in scènes die het offerritueel; voor andere vormen bleek het wel mogelijk aan de hand van iconografische bronnen een inzicht te verwerven in de rituele achtergrond. “Een specifiek voorbeeld is de Marl C zîr,” vertelt Lies. “In iconografische bronnen zien we dat deze container gebruikt werd in brouwersscènes. Andere afbeeldingen, op het voeteneinde van bepaalde lijkkisten, tonen echter dezelfde types van potten in rituele context. Het bijhorende label maakt duidelijk dat het om een snw-vaas gaat, waarvan het gebruik in de purifcatietent gekend is.”
Een tweede interessante categorie zijn de wapens en werktuigen. Naast werktuigen van reële grootte treft men in verscheidene graven van het Middenrijk ook modelwerktuigen aan. Lies heeft kunnen aantonen dat deze voorwerpen niet louter een modelweergave waren van echte werktuigen. “In verschillende sites vinden we deze modelwerktuigen in nauwe samenhang met bepaalde ceramiektypes, sandalen en een graanschuurmodel. Deze combinatie was niet louter toevallig. Op het voeteneinde van bepaalde lijkkisten ziet men dezelfde combinatie van objecten terugkeren. Al deze objecten verwijzen naar rituelen die uitgevoerd werden in de ibw, de purificatietent.”
Bepaalde objecten komen haast uitsluitend voor in graven van vrouwen en kinderen. “Voornamelijk in graven van lagere sociale klassen zijn deze verschillen heel distinctief. Het is duidelijk dat het belangrijker geacht werd dat de rol die iemand tijdens het leven had als man of vrouw gereflecteerd werd in de grafinhoud dan bv het beroep. We hebben kunnen aantonen dat bepaalde objecten die in het verleden geïnterpreteerd werden als een weergave van het dagelijkse leven van de grafeigenaar in feite niet verwijzen naar zijn beroepsactiviteiten,” besluit Lies.
Lies Op de Beeck verdedigde in mei haar doctoraat in de Egyptologie aan de K.U.Leuven. Haar doctoraatsthesis had als titel ‘A functional analysis of Egyptian Burial Equipment from the late Old Kingdom until the end of the Middle Kingdom’.
Contact: annelies.opdebeeck@arts.kuleuven.be.
