Mens en landschap in het Dijlebekken
Doortje Van Hove prospecteerde tussen Leuven en Ottenburg
Onze huidige omgeving is het product van een millennialange evolutie. In deze evolutie speelt de impact van de mens een bijzonder belangrijke rol. Vanaf het Neolithicum, in Vlaanderen zowat 7000 jaar geleden, heeft de mens actief zijn omgeving georganiseerd en processen in gang gezet die verantwoordelijk zijn voor de vorming van het huidige landschap. "Toch is het pas vrij recent dat de relatie tussen mens en landschap een prominente plaats inneemt in historische en archeologische studies," weet archeologe Doortje Van Hove, die tussen juni 2004 en april 2005 het project 'Mens en landschap in het Dijlebekken' in goede banen leidde. Het project had als doel de relatie tussen mens en landschap in het Vlaamse Boven-Dijlebekken te bestuderen en specifieke voorschriften uit te werken voor een verantwoord beheer van het archeologisch erfgoed. Een betere reconstructie van de bewoningsgeschiedenis van het uitgekozen studiegebied vormde daarbij het voornaamste objectief.
"Eerst hebben we een inventaris gemaakt van alle archeologische waarnemingen in het te bestuderen gebied. Dit gebeurde op basis van literaire, archeologische en cartografische bronnen. Om betekenisvolle patronen van menselijke bewoning doorheen de verschillende (pre)historische periodes te identificeren, pasten we op deze inventaris een preliminaire GIS-analyse toe," vertelt Doortje. "Hieruit bleek meteen de specifieke waarde van de Centrale Archeologische Inventaris (CAI) voor ons project: het is een inventaris van waarnemingen die met name toelaat de voorbije archeologische activiteit in te schatten en lacunes te identificeren."
Zo stelde Doortje een duidelijke leemte van archeologische vindplaatsen vast op de (hogere delen van de) interfluvia en in het Meerdaalwoud, en dit voor alle onderzochte periodes. "Het is echter moeilijk in te schatten of dit een patroon is van de bewoning doorheen de tijd of resulteert uit een gebrek aan onderzoek en prospecties. Het beeld dat we hebben van de menselijke aanwezigheid in het studiegebied is dus niet objectief kwalitatief en kwantitatief te beoordelen. Het is daarom zeker van nut om meer prospecties te plannen om het beeld van menselijke occupatie stelselmatig bij te stellen. Dit introduceert slechts het echte archeologische werk: het beschrijven en verklaren van de bewoningsgeschiedenis van het Dijlebekken."
Op basis van de conclusies met betrekking tot de inventaris werd een intensieve terreininventarisatie opgestart. Deze inventarisatie paste in het kader van het KAPSTOK-programma (Kartering Archeologisch Patrimonium, Standaardinventarisatie, Terreinevaluatie, Onderzoek & Kennisbeheer) dat door het VIOE wordt gecoördineerd. Voor de veldkartering werd toenadering gezocht tot amateur-archeologen en lokale verenigingen die in het gebied actief zijn en werd samengewerkt met drie licentiaatsstudenten die eveneens bij het KAPSTOK-programma zijn betrokken.
"In totaal hebben we maar liefst 167 zones van verschillende grootte geprospecteerd, wat overeen kwam met 367.6 ha op een totaal van 38.5 dagen, vertelt Doortje. 4 Neolithische en 1 Romeins site konden met zekerheid worden geïdentificeerd. Daarnaast werden nog op 5 plaatsen enkele Romeinse scherven gevonden, op 13 plaatsen Middeleeuws materiaal opgeraapt en op 3 plaatsen Neolithische vondsten gedaan. Of het hier om bewoning gaat moet verder onderzoek uitwijzen. Ten slotte werden ook een grote reeks ‘bijna lege’ prospectiegebieden aangetroffen: "Deze gebieden moeten zonder meer verder in het oog gehouden worden. Slechts na verder uitvoerig onderzoek kunnen ze als ‘weinig archeologisch interessant’ of ‘niet bewoond in het verleden’ bestempeld worden."
"Een tweede punt is de link tussen de archeologische vindplaatsen en historische en actuele erosie," gaat Doortje verder. "Deze processen spelen immers een belangrijke verstorende factor in de positie van artefacten in de bouwvoor en de bewaring van archeologische sporen." Anton Van Rompaey en Gert Verstraeten van de onderzoekgroep Fysische en Regionale Geografie (K.U.Leuven) maakten voor deze vergelijking een erosiemodel met verschillende resoluties aan. Darmee konden verschillende zones gedefinieerd worden, die het vondstenaantal en de degradatie van de zone combineren. Verdere, meer gerichte prospecties zullen deze algemene concepten meer concreet kunnen invullen, hoopt Doortje.
Bij het onderzoek werd dankzij de samenwerking met het OC GIS-Vlaanderen gebruik gemaakt van het ondertussen alom bekende en reeds vaak gebruikte Digitaal Hoogtemodel Vlaanderen (DHM). "Dit digitaal hoogtemodel was van enorm nut bij het opmaken van de actuele en historische erosiekaart en bij het identificeren van archeologische relicten in het huidige reliëf," legt Doortje uit. "Ons onderzoek liet ook toe om de duidelijke meerwaarde van het hoge resolutiemodel, op basis van een oorspronkelijke puntendichtheid van gemiddeld 1 punt per 4 m², voor archeologisch onderzoek aan te tonen."
De bevindingen van het project zullen worden vertaald in een aantal artikels in het tijdschrift Monumenten & Landschappen en de CAI rapporten. De ontsluiting van het archeologisch erfgoed in het studiegebied naar het brede publiek toe zit vervat in de uitgave van een brochure ‘Mens & Landschap in het Dijlebekken. Een Archeologische Prospectie’.
Het Dijlebekken-project werd gefinancierd door het Vlaamse Gewest (de afdeling Monumenten & Landschappen, het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE) en het Ondersteunend Centrum-GIS Vlaanderen) en door de Provincie Vlaams-Brabant.
Doortje Van Hove is onafhankelijk onderzoeker, vroeger geassocieerd met de universiteit van Southampton (VK), maar zeer gemotiveerd om nu in België aan het werk te gaan.
Contact: doortjevanhove@yahoo.co.uk.
