
Home
Kalender
Forum
Contact
Links
Brusselse regering beschermt hoeve Thielemans | Hoogspanning in de kerk van Bazel
2 september 2005
“Vlaanderen kan pilootproject worden voor implementatie van Malta”
Een uitgebreide groep archeologen, studenten en geïnteresseerden woonde gisteren de studienamiddag bij omtrent het verdrag van Malta, dat Vlaams minister Van Mechelen nog in deze legislatuur heeft beloofd te implementeren. Bedoeling was de verschillende mogelijke invullingswijzen van het verdrag door enkele buitenlandse deskundigen te laten toelichten, en zo een aanzet te geven tot de ontwikkeling van een eigen Vlaamse implementatie.
In zijn openingsrede prees Dirk Callebaut, algemeen directeur van het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE), de hervormingen van de voorbije jaren als een goede basis voor de toekomstige implementatie van het verdrag, en pleitte hij voor een sterke interdisciplinariteit en publiekswerking. Joris Scheers, afdelingshoofd Monumenten & Landschappen, schetste kort hoe de implementatie van het verdrag, met zijn “betalende veroorzaker-principe”, uiteindelijk verschillend geïnterpreteerd kan worden. In een regeling die gekend staat als het omslagstelsel, draagt de verstoorder een vast percentage van de gehele bouwkost af voor archeologisch onderzoek, ongeacht de omvang van de archeologische interventie op de desbetreffende bouwwerf. Dit principe van gedeelde verantwoordelijkheid voorkomt dus dat individuele projectontwikkelaars voor onoverkomelijke kosten worden geplaatst. Het geld gaat naar een gemeenschappelijke pot waaruit de archeologische erfgoedzorg wordt betaald. Het gevaar bestaat echter dat het archeologische adagio van streven naar in situ-bewaring hierbij wordt verwaarloosd: een dergelijke regeling stimuleert aannemers immers niet om, zelfs in geval van belangwekkende vondsten, naar een alternatieve oplossing te zoeken.
Luidens het profijtbeginsel zal degene die baat heeft bij het bouwproject zelf moeten instaan voor voorafgaand archeologisch onderzoek. Hierdoor zal men eerder geneigd zijn om eventueel een andere plek te zoeken indien het belang van de vondsten het noodzakelijke onderzoek te duur zou maken. Vanuit dit beginsel kan men dan opteren voor een veralgemeend marktmechanisme met elkaar concurrerende archeologische bedrijven (model Nederland) of eerder voor een systeem zonder privé-spelers maar met een centraal overheidsorgaan dat verantwoordelijk blijft voor het onderzoek en gefinancierd wordt via taksen op basis van de omvang van het bodemmateriaal (model Frankrijk). Vlaanderen zal nu moeten kiezen welk model het wil volgen. Kiezen we voor één van de stelsels van de buurlanden, of creëren we beter een gemengd stelsel, waarbij de ontwikkelaar betaalt tot een bepaalde limiet, en de rest wordt bijgesprongen met gemeenschapsgeld?
Roel Brandt, voorzitter van het Centraal College van Deskundigen Archeologie (CCvD), lichtte in meer detail de Nederlandse praktijk toe. Sinds een 20-tal jaar spelen commerciële archeologische bedrijven mee op de Nederlandse archeologiemarkt. Vooral de laatste jaren kenden ze een zeer sterke groei, en het is duidelijk dat ze voor vele nieuwe archeologen (waaronder heel wat Vlamingen) een belangrijke werkgever zijn geworden. Het vrije marktmechanisme in Nederland voorziet erin dat de veroorzakers (projectontwikkelaars, bouwheren, aannemers) vrij moeten kunnen beschikken over de Indicatieve Kaarten van Archeologische Waarden (IKAW) en de ARCHIS-gegevens, en dat ze, op basis van offertes, een keuze kunnen maken uit een reeks uitvoerders. De rol van de overheid is dus stilaan verschoven van ‘natuurlijke uitvoerder’ naar ‘toezichter’. De noodzakelijke kwaliteitsborging gebeurt door het College voor Archeologische Kwaliteit (CvAK) en de Rijksinspectie voor de Archeologie (RIA), op basis van vastgelegde criteria (Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie).
Het Franse model werd uiteengezet door Jean-Paul Demoule, voorzitter van het Institut National de Recherches Archéologiques Preventives (INRAP), de overheidsdienst die sinds 2002 instaat voor archeologisch noodonderzoek in het kader van het verdrag. Hoewel de Franse regering in 2003 het monopolie van het INRAP doorbrak en met het oog op een prijzendaling de markt opende voor commerciële archeologie, blijft het INRAP toch goed voor 95 % van het onderzoek. De taks waarmee dit betaald wordt is afhankelijk van de aard en omvang van het aanwezige bodemarchief. In geval van excessieve kosten voor kleine projectontwikkelaars springt de staat bij. Momenteel bedraagt het totale budget voor archeologie in Frankrijk 115 miljoen euro per jaar, of 0,1 % van de jaarlijkse uitgaven aan openbare werken en infrastructuurbouw. Ter vergelijking: het ontwerpen van al die gebouwen is vaak goed voor 10 % van de kosten.
Adrian Olivier, hoofd van Archaeological Strategy (English Heritage) en voorzitter van het Europae Archaeologiae Consilium (EAC), pleitte voor een eigen Vlaamse invullingswijze van het verdrag: wij moeten vooral onze eigen criteria opstellen en ons niet te veel laten leiden door het buitenland. Op die manier zou Vlaanderen zelfs kunnen uitgroeien tot een pilootproject, “raising standards across Europe”!
De minister, bij monde van een medewerker, stelde in zijn afsluitende toespraak geen concrete streefdata voorop, hetgeen door verscheidene aanwezigen als een teleurstelling werd aangevoeld. Anderzijds biedt dit de archeologische sector de ruimte om de implementatieprocedure op eigen tempo en op een weloverdachte manier te doorlopen.
Er werd bewust gekozen om aansluitend op de presentaties geen discussieronde te laten volgen. De infonamiddag was eerder bedoeld als een aanzet tot zelfreflectie over de toekomst van de archeologische sector in Vlaanderen in het kader van Malta. Hopelijk kan in een volgende stap het archeologische veld opnieuw bijeengebracht worden om uiteindelijk tot een definitieve koersbepaling te komen.
door Bart | Congressen | Reacties (0)
Reageer op dit bericht |
