
Home
Kalender
Forum
Contact
Links
Opgraving op het voorplein van het kasteel van Olsene | Resten van Romeinse steenbouw te Aalter
31 juli 2006
Archeologen onderzoeken inheems-Romeinse nederzettingen in Menen
Sinds begin april graven archeologen van het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE) op aan de Kortewaagstraat in Menen, waar een uitbreiding van het bedrijventerrein Menen-Oost is gepland. De archeologen onderzoeken er twee inheems-Romeinse nederzettingen, die bij een eerder proefsleuvenonderzoek aan het licht kwamen. Andere sporen zijn te dateren in de volle middeleeuwen.
De opgravingen in Menen worden gefinancierd door het WVI, de bouwheer van het project, en uitgevoerd door Wouter Dhaeze en Arne Verbrugge. Eerder werden door Sam Dedecker (AML), Nancy Lemay (AML) en Sofie Vanhoutte (VIOE) proefsleuven getrokken. Dit onderzoek lokaliseerde twee inheems-Romeinse landelijke nederzettingen. De eerste site bevindt zich in het zuidelijk deel van het bedrijventerrein en wordt in zijn totaliteit onderzocht. De tweede site bevindt zich in het noordelijk deel van het terrein en zal slechts deels kunnen onderzocht worden. Op het terrein bevindt zich tevens ‘Te Roo Poorte’, een hoeve met walgracht, die vanuit bouwhistorisch en archeologisch perspectief echter minder belangrijk is als de twee Romeinse nederzettingen.
Tijdens de maanden april, mei en juni werd de oostelijke sector van het bedrijventerrein onderzocht, waarin dus de oostelijke periferie van de zuidelijke inheems-Romeinse nederzetting lag. Naast twee perceelsgrachten met ingang, werd een grafveld en een artisanale zone aangesneden. De eerste perceelsgracht met oost-west verloop vormde vermoedelijk de noordelijke limiet van de nederzetting. De tweede gracht met noord-zuid verloop vormde de oostelijke grens van de nederzetting. Waar de twee perceelsgrachten elkaar in een rechte hoek raken, was er een opening voorzien voor een toegang. Deze opening werd afgezoomd door twee zware paalkuilen, vermoedelijk elementen van een eenvoudige toegangspoort.
Het grafveld bevindt zich grotendeels ten noorden van de eerste perceelsgracht. Dit grafveld bestaat uit 10 brandrestengraven. Het grafveld spreidt zich uit over een zone van ongeveer 750m2. Alle graven zijn rechthoekig in grondplan en slechts één is voorzien van een nis. Interessant is dat de oriëntatie van de graven toelaat het grafveld nog eens in drie clusters op te delen. Een twaalfde geïsoleerd brandrestengraf bevindt zich op ongeveer 7,5m van de zone die als artisanale zone wordt geïnterpreteerd.
Er werden ook twee zijden van een greppel die een vierkant omsluit, aangetroffen. Binnenin de door de greppel omzoomde zone bevonden zich een hele reeks kuilen (foto rechtsboven). De meeste kuilen in deze zone zijn vermoedelijk te interpreteren als leemwinningskuilen, die naderhand opgevuld werden met nederzettingsafval. Opvallend is dat in elke kuil één of meerdere smidseslakken en kleinere brokken geoxideerd ijzer werden aangetroffen. De aanwezigheid van smidseslakken wijst op de aanwezigheid van smederij. De oostelijke zijde van de greppel werd gesneden door een werkkuil waar vuur werd gestookt. Misschien is ook deze kuil in verband te brengen met smederij.
Sinds enkele weken wordt er ook op de noordelijke inheems-Romeinse nederzetting gegraven. Tot nu toe werden paalgaten, paalkuilen, enkele grachten en een grote vlek – vermoedelijk een poel – aangetroffen. De aard van het vondstenmateriaal geeft aan dat er op de plaats zelf, of alleszins vlakbij, bewoning kan verwacht worden. Van deze nederzetting is enkel de westelijke rand bewaard gebleven. De kern ervan werd vermoedelijk vernield tijdens de bouw van het opjaagstation van de Vlaamse Watermaatschappij vernield.
In de zuidoostelijke hoek van het bedrijventerrein werd een kijkvenster geopend rond een houtskoolrijke kuil die was aangesneden tijdens het proefsleuvenonderzoek. In een zone van ongeveer 25 op 25 m vonden de archeologen een groot aantal grachten, paalkuilen die een rechthoekige configuratie van 2,75 x 5,5m beslaan en een tweetal zeer grote, ondiepe kuilen met houtskoolbrokken en verbrande leem. De sporen zijn toe te schrijven aan op zijn minst vier verschillende fasen. De jongste twee fasen leverden aardewerk uit de volle middeleeuwen op. In één van de kuilen werd een Karolingische gelijkarmige mantelspeld aangetroffen, wat aangeeft dat een deel van sporen uit de vroege middeleeuwen zou kunnen stammen.
door Tijl | Opgravingen | Reacties (0)
Reageer op dit bericht |
