
Home
Kalender
Forum
Contact
Links
Lezing over reliekenonderzoek in Koekelare | Excursie naar Sclayn en Ramioul op 14 oktober
19 september 2007
'Zwervende IJzertijderven' aan de Cardijnstraat te Mol
Bij een proefsleuvenonderzoek aan de Cardijnstraat in Mol kwamen er in de maand augustus sporen uit de IJzertijd aan het licht, waarop werd besloten het onderzoek vlakdekkend uit te breiden. Tijdens deze aanvullende werkzaamheden (eerste weken van september) werd daarbij een IJzertijd woonstalhuis blootgelegd. De vondst lijkt te passen binnen het principe van 'zwervende erven'.
Naar aanleiding van verkavelingswerken legde het Agentschap R-O Vlaanderen, Onroerend Erfgoed aan de NV Vogem op dat een archeologisch vooronderzoek diende uitgevoerd te worden op een terrein van ongeveer 1,5 ha.
De uitvoering van dit vooronderzoek werd toevertrouwd aan Studiebureau Monumentenzorg bvba. In totaal werden tussen 21 en 24 augustus 12 proefsleuven uitgegraven. In slechts twee van deze sleuven werden ook effectief enkele sporen aangetroffen (foto links). Omdat in drie van de zes aangetroffen sporen IJzertijdceramiek bleek te zitten, werd een grotere zone vrijgelegd tussen beide sleuven. Hierbij werd een deel van een huisplattegrond aangetroffen.
Na overleg met de beheersarcheoloog van het Agentschap R-O Vlaanderen, Onroerend Erfgoed, werd beslist om een zone van ongeveer 25 x 25 m vlakdekkend op te graven. Deze opgraving werd eveneens door het Studiebureau Monumentenzorg bvba uitgevoerd, tussen 31 augustus en 11 september.
De sporen kunnen aan de hand van de aangetroffen ceramiek gedateerd worden als een woningplattegrond uit de midden-IJzertijd. De woning was 20 m lang en 6 m breed met een noordwest-zuidoost oriëntatie. In het geval van de site aan de Cardijnstraat gaat het om een geïsoleerde boerderij (klik op de foto linksonder om te vergroten).
Vaag zijn langs een deel van de zuidwestelijke en zuidoostelijke wanden nog de resten van een wandgreppel te zien. Langsheen de noordoostelijke kant van de woning zijn een heel aantal kleinere paalgaten aangetroffen die de aanwezigheid van een wand suggereren. Zowel aan de zuidwestelijke als de noordoostelijke kant (de lange zijden) werden op vrij regelmatige afstand (1-1,5 m) resten van grotere paalgaten aan de buitenzijde van het gebouw aangetroffen die mogelijk als steunpalen geïnterpreteerd kunnen worden. In het gebouw zelf kunnen drie palenrijen herkend worden. Een onderzoek in detail tijdens de eigenlijke opgraving bracht geen verschillende fasen aan het licht hoewel op sommige plaatsen de verschillende palen dicht bij elkaar staan.
De ruimtelijke indeling van de woning is moeilijk interpreteerbaar. In het meest noordelijke stuk van het gebouw komen merkelijk minder palen voor, die ook veel regelmatiger geplaatst zijn. In deze zone bevinden zich ook de twee, grote donkergrijze verkleuringen die mogelijk als haardplaats gediend hebben. Mogelijk was dit het woongedeelte van de boerderij.
Het zuidelijke deel van de woning, en dan vooral tegen de noordoostelijke wand, bevat veel meer paalsporen. Deze palen bevinden zich echter steeds binnen het gebouw, wat eventueel kan wijzen op het gebruik van dit deel als stalling. We willen zeker niet zo ver gaan om hierin twee fasen te herkennen, omdat alle sporen zich mooi binnen eenzelfde plattegrond aftekenen.
Zowel ten oosten, ten westen als ten noorden van het gebouw werden enkele grotere (opslag)kuilen aangetroffen, die kunnen wijzen op opslagkuilen waar graanvoorraden in bewaard werden. De grote pot (evenals de resten van nog meer exemplaren) kan gebruikt zijn om graan in op te slaan (foto linksonder).
Tijdens het graven van de proefsleuven werden nergens anders gelijkaardige sporen aangetroffen, evenmin als greppeltjes die een afbakening van een erf kunnen aanduiden.
Er kan niet echt gesproken worden van een nederzetting, eerder van een losstaand gebouw. De levensduur van een woonstalhuis wordt geschat op 20 tot 30 jaar. Het grootste deel van het dagelijks leven vond plaats op het erf rondom het hoofdgebouw, maar hiervan zijn aan de Cardijnstraat geen sporen teruggevonden. Dat slechts enkele grote (opslag)kuilen werden aangetroffen kan misschien suggereren dat de boerderij vooral gericht was op veeteelt, en minder op de teelt van gewassen.
In de vroege en midden-IJzertijd verplaatsten nederzettingen zich vaak van het ene naar het andere perceel en dit mogelijk per generatie. De aanwezigheid van andere IJzertijdboerderijen in de omgeving lijkt dit te bevestigen. In bepaalde literatuur wordt hiernaar verwezen als zijnde zwervende erven.
Meer info:
Caroline Vandegehuchte (Tel.: 0479 48 91 82)
Charlotte Fexer (Tel.: 0473 82 59 04)
Maarten Smeets (Tel.: 0474 58 77 85)
door Johan | Opgravingen | Reacties (12)
Reageer op dit berichtDeze vriendelijke uitnodiging lijkt ons de ideale afsluiter voor deze discussie! door Tijl op 27 september 2007 15:07 Geachte Heren, door caroline vandegehuchte op 26 september 2007 18:59 Volkomen eens, Wim. Het was de bedoeling aan mijn reactie toe te voegen dat een referentiekader een grote rol kan spelen in dat leer- en vormingsproces, maar bij het herlezen merk ik nu dat ik dat vergeten was. Dus wat ik zeggen wou: u heeft 100% gelijk! door Stefaan op 26 september 2007 14:16 Volledig akkoord Stefaan, maar het onderzoek van een archeologische site, van het collectieve erfgoed dus, is een éénmalige meestal destructieve zaak die van in het evaluatieproces optimaal moet gebeuren. Mensen mogen en moeten fouten maken om uit te leren, maar in de archeologie beperk je best het risico door een empirisch opgebouwd referentiekader en een goede inhoudelijke begeleiding te voorzien. Da's nu niet het geval. Ieder doet maar wat naar eigen (on)vermogen. Zaken als Mol ea dossiers bewijzen het onbreken van die inhoudelijke sturing en omkadering. We moeten ook dringend af van de 6-maanden regel. Na bij wijze van spreken 6 maand op een strand gelegen te hebben onder een palmboom bij een site op het Paaseiland om maar wat te zeggen, mag je principieel beginnen graven op gelijk welke site hier. Een accreditatiesysteem lijkt me dus veel adequater. Competentie moet je constant verdienen: bv door bewezen deelname aan colloquia, het schrijven van artikels, nationaal maar ook internationaal, ... kortom competentie moet het voorwerp zijn van constante beoordeling en niet van een éénmalige verwezenlijking en voor de rest leren uit de fouten. En ja voor de zoveelste maal: vroeger was het ook niet zo, maar we mogen d ekans niet laten liggen om dit te veranderen nu er zoveel aan het gebeuren is. door wim op 26 september 2007 13:35 Ik ben het dan ook niet oneens met u beiden, wel integendeel. Menselijk handelen zal wellicht nooit onfeilbaar zijn (wat ik eigenlijk wou zeggen met mijn eerste reactie). In dit geval zie ik twee mogelijkheden: of er is effectief sprake van een ernstig gebrek aan ervaring en wetenschappelijk inzicht (wat op zich nog vergeeflijk is, als men maar leert van zijn fouten), of men had niet de moed om de bouwheer te confronteren met de hogere kosten die een ruime afbakening met zich meebrengt... door Stefaan op 26 september 2007 10:40 Uiteindelijk berust elke institutionele beslissing op een persoonlijk oordeel, daar ben ik het volledig mee eens, al wordt dat oordeel toch doorgaans getoetst aan een desnoods procedureel vastgelegd referentiekader dat in een consensus tot stand is gekomen. Hier knelt nu het schoentje. Keuzes worden natuurlijk persoonlijk gemaakt, maar de mensen die ze maken vallen volledig terug op wat ze zelf toevallig of niet weten of hoorden, of laten zich leiden door de omstandigheden (druk van bouwheer bvb). Hetgeen mist is het referentiekader dat vanuit de archeologie en het veld empirisch werd opgebouwd; vandaar die passage over ondertussen hopeloze oproep. Ook Johan alludeerde daar al op. door wim op 25 september 2007 20:19 Kennis is persoonsgebonden, niet institutioneel. Beslissingen op basis van persoonsgebonden kennis zijn derhalve altijd arbitrair. Maar het moet gezegd dat dit sleufje wel héél miniem is afgebakend. door Stefaan op 25 september 2007 16:00 Is inderdaad zo. Sommigen hebben hier in Vlaanderen nog niet begrepen dat proefsleuven meer zijn dan dichtheden bepalen maar een stap in een evaluatieproces waarin ondermeer ook kijkvensters (en die mogen gerust naar een kwart ha en meer gaan) mét het maken van doorsneden, een onlosmakelijk geheel zijn, en niet twee bureaucratisch gescheiden dingen. Ik weet niet hoever de sleuven in Mol uit elkaar lagen, maar ijzertijd of inheems-Romeinse nederzettingen hebben een dermate lage sporendensiteit zodat het minste proefsleufsignaal al wijst op de aanwezigheid van nederzettingssporen, en de aanleg van kijkvensters noodzakelijk wordt. Een vlakdekkende afgraving van het hele perceel, of minstens een wijde perimeter rond het gebouw zou wel eens de bijna obligate waterput en één of meerdere spiekertjes kunnen aan het licht brengen. De ervaring in de zandstreek bij ons leert wel eens dat een "hit" in twee naast elkaar liggende sleuven een absoluut minimale afgraving van de tussenafstand van 4 sleuven errond vereist. Misschien weer maar eens een bijna hopeloos geworden oproep richten naar beheer om aub het beheer op het terrein te laten sturen door kennis en ervaring ipv ad hoc persoonlijke en situatiegebonden keuzes? door wim dc op 24 september 2007 12:13 Inderdaad wim Bij deze ook even de kanttekening dat een vlak van 25 bij 25m eigenlijk bijzonder beperkt is en praktisch niet meer inhoudt dan het gebouwplattegrond blootleggen. Dit is mogelijk een gemiste kans (wat is 625m² op een totaal van 15000m²?), temeer omdat recent onderzoek aantoont dat 'nederzettingen' in vrij lage sporendensiteit kunnen voorkomen en dat met een beperkt proefsleuvenonderzoek vrij gemakkelijk zaken gemist kunnen worden. In dat opzicht is het 'opgravingsvlak' onderzocht te Mol misschien beter te interpreteren als een kijkvenster én aanleiding tot verder onderzoek. Wat is ondertussen geweten in Vlaanderen over IJzertijdoccupatie? Nog niet veel, vandaar dat het soortgelijke projecten zijn die nù een beter inzicht zouden kunnen bieden. Bij deze dan ook een oproep(je) aan iedereen die proefonderzoek uitvoert en vooral evalueert. door johan hoorne op 23 september 2007 19:56 Mooie opgraving. Echter met zeer interessante/bizarre vaststelling: "Er kan niet echt gesproken worden van een nederzetting, eerder van een losstaand gebouw" Kan mij iemand hier eens verduidelijken hoe een échte ijzertijdnederzetting er dan wel uit ziet??? Vermits de opgravers dit een WOONstalhuis noemen, neem ik aan dat er hier mensen in een "losstaande" woning hebben GEWOOND. Plaatsen waar mensen hebben GEWOOND, noemen wij toch doorgaans NEDERZETTINGEN? Vergelijkend literatuur onderzoek in de ongetwijfeld ruim daartoe voorziene post-excavation periode zal de opgravers wellicht kunnen duidelijk maken dat ze een deel van een mooie ijzertijdnederzetting hebben aangesneden. door wim op 20 september 2007 11:12 Misschien ligt er in Mol wel nog een grotere cannabisplantage dan in Merskplas ;-) Nee, je hebt uiteraard gelijk. Bij deze is het ook aangepast. door Johan Claeys op 20 september 2007 0:33 "zwevende erven" ken ik niet. Ik neem aan dat jullie "zwervende erven" bedoelen? door Miel op 19 september 2007 23:39 |
