
Home
Kalender
Forum
Contact
Links
13 maart 2008
Landelijk heiligdom in Kortrijk?
Op 8 februari is de verwerking van de opgraving te Kortrijk en Harelbeke afgerond. Het onderzoek ging de ontwikkeling van een nieuw industrieterrein langs de autosnelweg E17 vooraf. De werken werden uitgevoerd door archeologen van Monument Vandekerckhove in opdracht van Leiedal en leverde sporen op uit de overgangsperiode Late-IJzertijd/Vroeg-Romeinse tijd, de Midden-Romeinse periode en de Late-Middeleeuwen.
Uit de overgang Late-IJzertijd/Vroeg-Romeinse periode (± 500/450 v. Chr. tot 69 n. Chr.) werd op zone I een strak georganiseerde site opgegraven. In het zuiden van het terrein bevonden zich 2 afwateringsgrachten van een landweg, die 300m verder naar het oosten ook werd aangetroffen.
Daaraan parallel werden in het noorden van zone I de resten van 2 enclosures, grote min of meer rechthoekig omgrachte zones (de grootste kon 78 op 89m worden blootgelegd), aangetroffen. Weinig andere sporen konden hiermee in associatie gebracht worden, wel zat in de grachten gedeponeerd aardewerk. De hoeken van de enclosures zijn naar de windrichtingen georiënteerd. Dit is ook het geval bij een kleine vierkante structuur (van ca. 10 op 11m) iets meer naar het oosten. Binnenin dit vierkant lagen 4 paalsporen, en in de gracht zelf werd een aardewerkdepot gevonden. Waarschijnlijk is dit het overblijfsel van een landelijk heiligdom(foto links).
Op zone III werd een Romeinse site uit de 1ste helft van de 2de eeuw n. Chr. aangesneden. Zo lijken enkele grachten de site af te bakenen, onder andere een dubbele gracht en één met een vermoedelijke ingang die eveneens aansluit op een poel (van 37 op 7m). Binnenin lagen onder andere een grote cluster paalsporen en een waterput, bestaande uit 4 hoekpalen waartegen horizontaal geplaatste planken vastgemaakt werden. Slechts 1 niet te dateren structuur, met een NW-ZO georiënteerde plattegrond, kon hierin worden herkend. Buiten de 'omgrachte' zone, juist ten westen van de poel, maar met eenzelfde datering, werd eveneens een klein gebouwtje aangetroffen. Een aantal kuilen stonden hier schijnbaar in associatie mee. Een tweede fase in de Romeinse occupatie betreft enkele NW-ZO georiënteerde grachten die niet nader gedateerd konden worden.
Daarna is er sprake van een hiaat in de bewoning: wel werd uit de Karolingische periode (9de-10de eeuw) één gracht op zone II aangesneden. Pas vanaf de Late-Middeleeuwen (vooral 13de-14de eeuw) kent het terrein terug een duidelijke occupatie. Op zone I werd een klein erf aangetroffen, waarbinnen 2 NO-ZW georiënteerde gebouwplattegronden en een spieker. Het geheel vertoont een sterke associatie met het Late-IJzertijd/Vroeg-Romeins enclosure. Mogelijk wordt een hoek ervan hergebruikt en lijkt het tegen een zijde ervan geënt te zijn. De vermelde Karolingische gracht wordt hergebruikt, en op zone III wordt een aantal brede grachten aangelegd waarvan enkele tot de 18de eeuw in gebruik bleven.
Meer info: Liesbeth Messiaen
Foto's: Monument Vandekerckhove
door Jan om 21:50 | Opgravingen | Reacties (0)
11 maart 2008
Rand van Romeinse nederzetting in Oudenburg
Op de opgraving langs de Ettelgemsestraat in Oudenburg is de eerste zone afgewerkt. Het onderzoek leverde vooral Romeinse sporen op uit de eerste helft van de 3de eeuw na Chr. die aan de rand van de nederzetting rond het castellum gelegen waren. Sinds januari wordt de opgraving geleid door archeoloog Wouter Dhaeze.
Sinds enkele weken heeft het team de eerste werkput, die ongeveer 1000m2 bedraagt, afgewerkt. In deze werkput werden hoofdzakelijk Romeinse sporen aangesneden. Deze omvatten karrensporen, grachten, greppels, paalgaten, waterputten, kuilen, karrensporen en inhumatiegraven. De verschillende oriëntatie van de sporen, de talrijke oversnijdingen en de vondsten laten toe minstens drie fasen te onderscheiden.
De oudste Romeinse sporen zijn NNW-ZZO georiënteerde karrensporen die misschien in verbinding stonden met de voor het kustgebied belangrijke Zeeweg.
De meerderheid van de sporen horen thuis in het laatste kwart van de tweede eeuw en de eerste helft van de derde eeuw. Tot deze fase kunnen de greppels, grachten, kuilen en waterputten gerekend worden. De greppels en grachten, die vaak haaks op elkaar staan, maakten deel uit van een percelering aan de rand van de Romeinse nederzetting. Deze greppels en grachten omsloten vierkante of rechthoekige percelen waarop bijvoorbeeld vee kon worden gehouden of groenten worden geteeld. Een van de greppels was afgeboord door een afrastering in hout.
Daarnaast werden drie waterputten met een vierkante bekisting in eik aangetroffen. De eerste waterput had een bekisting opgebouwd uit hoekpijlers, planken en dwarsstutten op de bodem. In de vulling ervan werd een Romeinse schoen aangetroffen. Een zware koperen munt gevonden in de aanlegtrechter zal een mooie terminus post quem leveren voor de constructie van de waterput. De tweede waterput(foto links) bestaat uit twee bekistingen die min of meer boven elkaar werden aangelegd: de onderste bekisting bestaat uit twee rijen planken waarvan de uiteinden in elkaar grijpen. De bovenste bekisting volgt dezelfde constructiewijze als de eerste waterput. Op de bodem van de bovenste bekisting werd naast een schoen een dijbeen aangetroffen.
De derde waterput, die veel minder diep lag dan de eerste twee, had een bekisting met in elkaar grijpende planken. Deze waterput stond in relatie met een rechthoekige kuil van 2 op 2,5 m en had een rechte bodem en rechte wanden.
Een derde groep van sporen zijn de kuilen waarvan er talrijke exemplaren werden aangesneden. De meerderheid kan als afvalkuil worden geïnterpreteerd. In de vulling ervan werd naast het gebruikelijke aardewerk(foto boven) regelmatig slachtafval aangetroffen. Sporen van gebouwen werden vooralsnog niet aangetroffen. De eigenlijke bewoning bevond zich vermoedelijk dichter bij het castellum. Het beeld dat de archeologische sporen oplevert sluit perfect aan bij wat Y. Hollevoet in de jaren 1990-1992 langs de Bekestraat, op ca. 300m van de huidige site, aantrof. Ook daar bevond men zich op de rand van de nederzetting.
Tot de recentste Romeinse sporen behoren vier inhumatiegraven. Deze bevonden zich op verschillende plaatsen in de werkput en hadden een variërende oriëntatie. De skeletten zijn deze van vier volwassen mannen. De vier werden op de rug geplaatst, waarbij de handen werden samengebracht op het bekken. In één geval werden resten van een houten kist aangetroffen. Grafgiften ontbreken volledig. Deze individuen werden begraven op een moment dat er ter plaatse geen bewoning meer was. Er zullen van het bot C14 stalen genomen worden om de ouderdom van deze graven te bepalen. Dergelijk type van graven werd ook aangetroffen in het vlakbij gelegen grafveld lans de Bekestraat, waar ze in tegenstelling tot de crematiegraven een minderheid vormen.
Behalve Romeinse sporen werd in de eerste werkput ook een brede middeleeuwse gracht aangesneden die in de 11de-12de eeuw werd aangelegd en enkele eeuwen in gebruik bleef. Deze middeleeuwse gracht mondde uit in een poel waar in de vulling ondermeer Pingsdorfaardewerk en slachtafval werd aangetroffen.
Wie meer wil weten over het verloop van de opgravingen kan een kijkje nemen op www.opgravingenriethove.be.
door Jan om 21:24 | Opgravingen | Reacties (0)
28 februari 2008
Middeleeuwse vondsten onder winkelpand in Roeselare
In Roeselare zijn op de site van een beschermd winkelpand in de Ooststraat acheologische vondsten uit de middeleeuwen bovengehaald. De Werkgroep Archeologie Roeselare vond naast waterputten veel aardewerk. Het gaat onder meer om scherven van platte schalen, een kleine steelpan, een braadpan, rokverwarmers en drinkschaaltjes. Het oudste aangetroffen aardewerk verwijst naar kommen en kruiken in grijs ongeglazuurd aardewerk uit de 12de tot 14de eeuw.
Op vraag van de Dienst Cultuur van de stad Roeselare voerden Jozef Goderis, Marc Maddens en Roland Swaenepoel van de Werkgroep Archeologie Roeselare in januari-februari een archeologisch onderzoek uit op de site van het winkelhuis Callebert. Dit beschermde pand werd in 1906 gebouwd naar een plan van de bekende architect Huib Hoste. Naast twee bakstenen waterputten, gevonden door de bouwvakkers, troffen de leden van de archeologische werkgroep vier concentraties van middeleeuwse vondsten aan. Drie ervan konden grondig onderzocht worden. Deze concentraties bevonden zich onder de bakstenen vloer deels van de magazijnen van het vroegere winkelhuis, deels in de binnentuin.
Het was bekend dat de Ooststraat één van de oudste straten is van Roeselare. De oudste vermelding van de straat dateert van 1436, en vanaf de 15de eeuw zijn ook namen bekend van de oudste bewoners van deze straat. Nabij het winkelpand was in de 16de eeuw 'De pottenmaerkt' gelegen, waar de producten van de Roeselaarse pottenbakkers te koop werden aangeboden. Nog in de 16de eeuw lag aanpalend aan het winkelpand ook 'Thuus ende erfve van mijnen heere de bruggraeve, gheseyt Rapenburch'. Dit huis werd pas in 1540 gekocht door de burggraaf en was voorheen in het bezit van de heer van Roeselare. Het bleef in het bezit van de burggravie en werd later als kleine hoeve uitgebaat. Op die plaats liet de burggraaf toe dat in 1725 de gevangenis van Roeselare gebouwd werd. De site aan de Ooststraat vormde dus een belangrijke historische omgeving waar interessant archeologisch erfgoed kon opduiken.
Uit de honderden potscherven die werden aangetroffen bij het onderzoek, zijn reeds een aantal montages samengesteld, die verwijzen naar diverse vormtypes en baktechnieken van aardewerk uit de (post-)middeleeuwse tijd:
- scherven van een drietal platte schalen, die volgens de opgravers nog niet eerder gevonden bij opgravingswerk in de stad (foto rechts)
- een kleine steelpan en een grotere braadpan uit de 15de eeuw
- grote fragmenten van een papkommetje met horizontale oortjes (16de eeuw)
- ringeloortechniek: roodbakkend aardewerk, overdekt met loodglazuur met een decor van witte slib dat op de ongebakken klei werd aangebracht met behulp van een koehoorn(17de eeuw)
- grote scherven van twee verschillende lollepotten of hengselpotten, ook soms "rokverwarmers" genoemd. De zogenaamde lollepot of voetstoofje of rokverwarmer is een pot in aardewerk, gevuld met gloeiende kooltjes uit de haard, die de huisvrouw onder haar rok schoof bij haar zittend werk in de slecht verwarmde woonkamer in de 17de eeuw.
- een drinkschaaltje in proto steengoed is een import stukje uit het Duitse Rijngebied, uit Siegburg in de buurt van Keulen. Uit deze drinknapjes werd wijn gedronken. Voorbeelden hiervan zijn terug te vinden op schilderijen uit de 14de eeuw.
- het oudste aangetroffen aardewerk verwijst naar kommen en kruiken (schenkkan voor water, bier, vruchtensap, wijn) in grijs ongeglazuurd aardewerk met standlobben. Datering 12de-14de eeuw, dus nog vóór de oudste vermelding van de Ooststraat (foto rechts)
"Eigenlijk hadden we hier de kans moeten krijgen om een opgraving te ondernemen vóór de aflevering van de bouwvergunning. Maar we hebben getracht nog te redden wat er te redden viel met de hulp en de goodwill van heel velen," besluit Jozef Goderis.
Bron en foto's: Werkgroep Archeologie Roeselare
door Tijl om 14:18 | Opgravingen | Reacties (0)
18 februari 2008
Archeologen K.U.Leuven stoten op geplaveide Romeinse weg in Asse
De K.U.Leuven is eind januari van start gegaan met een archeologisch onderzoek langsheen de Nerviërsstraat in Asse. Aanleiding voor de opgravingen is de inplanting van een nieuw gebouw voor de federale politie. De meest spectaculaire vondst binnen de huidige opgraving is de aanwezigheid van een geplaveide Romeinse weg. De 6 meter brede baan kon over een lengte van meer dan 20 meter vrijgelegd en onderzocht worden. Nu zondag is de site open voor het publiek.
In november vorig jaar leverde een proefsleuvenonderzoek op de site, geleid door Dirk Pauwels van het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed, positieve resultaten op. Voor het archeologisch onderzoek krijgt de opgravingsploeg van de K.U.Leuven nu 35 werkdagen tijd. Projectverantwoordelijke is professor Marc Lodewijckx. De dagelijkse leiding is in handen van Kristine Magerman, als wetenschappelijk medewerkster verbonden aan de Onderzoekseenheid Archeologie, en projectarcheologen Ruben Pede en Katrien Van de Vijver.
In totaal kan een oppervlakte van 2500 m² archeologisch onderzocht worden. Het gebied bevindt zich op de grens van de woonzone van de Gallo-Romeinse nederzetting van Asse. In de loop van de 1ste eeuw n.C. ontwikkelde deze nederzetting zich rond een kruispunt van Romeinse wegen. Zeker vanaf het midden van de 1ste eeuw tot het begin van de 3de eeuw n.C. was Asse het economische en bestuurlijke centrum van de regio (vicus). De bevolking woonde op een hoger gelegen plateau, de Kalkoven, dat omringd werd door twee beken. De ambachtelijke en industriële activiteiten van enige omvang grepen ondermeer plaats aan de noordoostelijke rand van de woonkern. In deze zone werd vorig jaar door hetzelfde onderzoeksteam een 2de-eeuws pottenbakkersatelier opgegraven.
De meest spectaculaire vondst binnen de huidige opgraving is de aanwezigheid van een geplaveide Romeinse weg. De 6 m brede baan kon over een lengte van meer dan 20 m vrijgelegd en onderzocht worden. Een verhoging van het midden van de baan ten overstaan van de kanten, zorgde voor een goede afwatering. Langs beide zijden van de weg werd een gracht aangetroffen. Het wegdek, dat in zeer goede staat bewaard is, is geplaveid met grotere en kleinere, vaak onregelmatige stukken kalkzandsteen.
Vermoedelijk betreft het hier een secundaire weg binnen de Romeinse nederzetting van Asse die de verbinding vormde tussen de Romeinse weg richting Elewijt en de baan richting Rumst (aangetroffen door de K.U. Leuven bij de opgraving langs de Krokegemseweg in 2007). Talrijke paalgaten, smalle greppels en kuilen langsheen de noordoostelijke zijde van deze weg wijzen mogelijk op de aanwezigheid van woningen en allerlei activiteiten.
Het verder archeologisch onderzoek van al deze Romeinse sporen zal de komende weken meer duidelijkheid moeten geven over de betekenis van al deze sporen en de specifieke functie van deze zone binnen de Romeinse nederzetting van Asse.
Het archeologisch onderzoek werd mogelijk door de financiële bijdrage van de bouwheer, de Regie der Gebouwen, en door de gemeente Asse die drie arbeiders ter beschikking stelt voor de duur van het project. Bijkomend levert de Gemeente een financiële bijdrage voor de tentoonstelling over de onderzoeksresultaten van het onderzoeksproject aan de Krokegemseweg in 2007 en van deze opgraving die voorzien is voor het najaar van 2008.
Meer info: de Romeinse heirbaan aan de Nerviërsstraat te Asse is toegankelijk voor het publiek op zondag 24 februari, tussen 10 u en 16 u. Reserveren is noodzakelijk via 0474/29.95.67 of via kristine.magerman@telenet.be
door Tijl om 23:50 | Opgravingen | Reacties (7)
17 februari 2008
Vampir Dugout in Zonnebeke ziet voor het eerst sinds WOI het daglicht
De voorbije weken is een team wetenschappers erin geslaagd om de ingang tot de Vampir(e) Dugout in het Westvlaamse Zonnebeke vrij te leggen. Het uitgestrekte ondergrondse complex, daterend uit WOI, is uitzonderlijk goed bewaard en wacht nu op verder onderzoek. De internationale waarde van het onderzoek blijkt ook uit de interesse van de BBC, die eergisteren met een team de hele dag kwam filmen in Flanders Fields.
De aanloop
Het lijkt alsof hier nooit een oorlog plaatsvond, maar deze respectievelijke plaats was één van de bloedigste slagvelden van de Eerste Wereldoorlog. Het is een epicentrum van conflict, waar de geallieerden tot op het tandvlees gingen onder Duitse aanvallen in 1914 en 1915 (de Eerste en Tweede Slag om Ieper) en dan tijdens hun eigen offensief van 1917 een kwart miljoen mensen opofferden gedurende een drie maanden durende bloedige uitputtingsslag die de geschiedenis in ging als Passchendaele.
Desondanks slaagde men er niet in om ook maar één van de vooropgestelde doelstellingen te bereiken. De Britten stonden nagenoeg terug op dezelfde plaatsen die ze twee jaar voorheen hadden ingenomen. De grote geallieerde doorbraak zoals zolang werd aangekondigd bleek op geen enkel moment geloofwaardig. Al wat men bereikte was het enorme verlies van mensenlevens in veelal erbarmelijke omstandigheden. In 1918 was ditzelfde gebied getuige van een offensief dat de Britten en hun bondgenoten tot op de rand van de totale vernietiging dreef en waarin de Duitsers al een greep deden naar de langverwachte overwinning. In termen van het verlies van mensenlevens was dit veruit de hevigste periode van de oorlog.
Het was net voor de aanvang van deze periode dat Vampir dugout door de Britse 171th Tunnelling Compagny RE werd geconstrueerd. Het was oorspronkelijk ontworpen als accommodatie voor de staff van het Brigade Hoofdkwartier. Na vier maanden van zware arbeid werd de constructie midden april 1918 voltooid. Net op dat ogenblik werden de Britten gedwongen om deze positie op te geven en de locatie werd overgenomen door de Duitsers. Deze zagen meteen de vele voordelen van deze goed uitgeruste onderkomens.
Dertien meter onder het maaiveld van dit voormalige slagveld werkt sinds enkele weken een internationaal team van geofysici, ingenieurs, archeologen en historici, want daar ligt de stille getuige van deze bewogen periode uit de wereldgeschiedenis. Daar ligt een voor de tand des tijd bevroren wereld, met water gevuld, onaangeroerd - en volkomen bewaard over meer dan 90 jaar. Toen in november 1918 de kanonnen zwegen, vielen ook de pompen stil in deze toen nutteloze overblijfsels. De huidige prospectie vertelt het verhaal van de laatste 18 maanden van de Eerste Wereldoorlog vanuit een totaal ander oogpunt.
Het onderzoek
In het voorjaar van 2006 werd bekend dat steenbakkerij Terca Zonnebeke N.V. een vergunning had gekregen voor de uitbreiding van de kleiwinningszone en dit tot op een diepte van 24 tot 27 m. De vereniging A.B.A.C. (Association for Battlefield Archaeology and Conservation) heeft onder leiding Johan Vandewalle en Peter Barton de voorbije 15 jaar een stevige knowhow verzameld omtrent ondergrondse WOI-constructies in de Ieperboog en beschikt over een database met de gegevens van meer dan 350 dergelijke constructies, waaronder één vlak bij de nieuwe ontginningszone. Er werd een historisch onderzoek gedaan in verschillende archieven naar de aard en de omvang van de constructie. Hieruit bleek dat de constructie door de aanpalende 27 meter diepe ontginning in z'n verder bestaan bedreigd wordt. Enkel de verstoring van het oorspronkelijke peil van het freatisch water of de beweging van de ondergrondse kleilagen betekenen op termijn de teloorgang van de ondergrondse constructie.
Dit probleem werd aangekaart bij het Agentschap Vlaanderen - Onroerend Erfgoed, het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed en de intergemeentelijke archeoloog van CO7 archeologie. Er werd groen licht gegeven voor het project en het wetenschappelijke onderzoeksteam werd samengesteld.
- Het Centre for Battlefield Archaeology van de Glasgow University neemt de archeologische ondersteuning op zich. Dr. Tony Pollard, Director van het Center en Dr. Iain Banks (Executive Director of GUARD - Glasgow University Archaeological Research Division ) engageren zich voor het archeologisch en geologisch onderzoek binnen het project.
- John Arthur, Topographic Surveyor (GUARD), staat in voor het topografisch onderzoek.
- APR Services Ltd, underground LiDar Survey staan in voor de 3 dimensionale opmeting.
- Gaille Mackinnon, Forensisch antropoloog, leidt het sporenonderzoek.
- Xion Scotland Ltd, staat in voor het ROV onderzoek.
- Fred Vandewalle, maritiem archeologisch conservator, staat in voor de conservering van mogelijke relicten.
- De historische ondersteuning wordt verzorgd door historicus Peter Barton, (foto linksboven) Secretary to the All Party Parliamentary War Graves And Battlefields Heritage Group en auteur van boeken als 'Beneath Flanders Fields: The Tunnellers' War 1914-1918' en 'Passchendaele - Unseen Panoramas of the Third Battle of Ypres'.
- De technische uitwerking en werfcoördinatie wordt verzorgd door Johan Vandewalle (foto rechtsboven), tunnel- en dugoutexpert met ruime ervaring als ex-tunnelgraver en mede-auteur van 'Beneath Flanders Fields: The Tunnellers' War 1914-1918', samen met Kristof Jacobs, bouwkundige en auteur van 'Nieuwpoort sector 1917' die tevens instaat voor de intekening.
- Twee studenten archeologie van de universiteit van Leiden (NL) kunnen de werken opvolgen.
De uitvoering
Na uitgebreid onderzoek door middel van een ground penetrating radar (foto links), metaaldetectie, sonar en boringen in het voorjaar en tijdens de zomer van 2007 werd eind januari 2008 gestart met de uiteindelijke vrijmaking van de ondergrondse constructie. De 13 meter diepe schacht werd op een archeologische verantwoorde wijze vrijgemaakt (3 weken werk), waarna de eerste verkenning van de ondergrondse ruimtes kon plaatsvinden met een remote-operated vehicle (kan vergeleken worden met een mini-duikbootje met camera), zodoende de ondergrondse site zo min mogelijk te verstoren. De resultaten van dit onderzoek zijn verbluffend en tonen een constructie in nagenoeg perfecte staat.De dugout is een constructie van het type D, dat voor een groot deel is opgebouwd uit stalen I-profielen en treinsporen en waar ook gebruik werd gemaakt van het lagging system (met horizontaal liggende balken).
Het ondergronds systeem werd midden 1918 afgewerkt en overgedragen aan de infanterie, maar enkele dagen later viel het al in handen van de Duitsers. Of de constructie tijdens de Duitse bezetting werd aangepast of verder werd uitgebouwd zal blijken uit verder archeologisch onderzoek dat in de komende weken wordt uitgevoerd.
De andere aspecten van deze archeologische prospectie van het ondergrondse '14-'18-patrimonium betekent een revelatie binnen de klassieke archeologie qua uitwerking en aanpak.
Contactpersoon: Kristof Jacobs, prospectieverantwoordelijke
Bron / meer info / afbeeldingen: ABAC perstekst; Het Nieuwsblad, 16 februari; BBC News
door Johan om 13:00 | Opgravingen | Reacties (1)
1 februari 2008
Europark Lanaken: een verhaal van opslag en overslag, winning en verlies
Eind vorige week werden de opgravingen aan het Europark in Lanaken beëindigd. Tijdens deze opgravingen werd zo'n 4,5 hectare opgegraven: de grootste vlakdekkende opgraving ooit uitgevoerd in Limburg. Op de definitieve resultaten is het nog even wachten, maar gisteren werden al enkele voorlopige resultaten bekend gemaakt. Volgens de opgravers van BAAC bv uit 's Hertogenbosch gaat het om resultaten die voor de Late Bronstijd een grote impact zullen hebben.
De werken die gebeurden in het kader van de aanleg van een industrieterrein met overslagstation en rangeerterrein, vatten aan op 27 augustus 2007.
De oudste vondsten die tijdens het onderzoek werden aangetroffen, dateren uit het Midden-Paleolithicum (ca. 100.000 jaar geleden). Het gaat om enkele grote vuurstenen afslagen die op het terrein zijn terecht gekomen door de aanleg in de 19de eeuw van een verdiept spoortracé. Uit het Vroeg-Neolithicum (Bandkeramiek - 5400-4900 v. Chr.) dateren twee stenen dissels (een soort stenen bijlen). Mogelijk hebben deze vondsten te maken met zogenaamde off-site-fenomenen gerelateerd aan een op Nederlands grondgebied gelegen nederzetting met bijhorend grafveld.
De meest unieke en dus belangrijkste vondst is deze van een nederzetting uit de Late Bronstijd (1150-850 v. Chr). In totaal werden tientallen kuilen gevonden die soms een doorsnede hadden van meer dan 4 meter. Naar de functie van deze kuilen is het voorlopig raden: ofwel werden ze aangelegd voor de winning van leem om ze, wanneer afgedankt, vol te storten met huishoudelijk afval, ofwel werden ze aangelegd voor de opslag van graan en/of andere levensmiddelen (silo's). Verder onderzoek zal hier klaarheid brengen. Uit een eerste analyse blijkt overigens dat de studie van het handgevormde aardewerk uit de kuilen een grote impact voor het Bronstijdonderzoek in Vlaanderen kan hebben. Door de grote hoeveelheid nederzettingsaardewerk (meer dan 3000 scherven), dat bovendien goed dateerbaar is, kan zeer waarschijnlijk een fasering in de nederzetting herkend worden. Dit zou moeten toelaten de overgangsperiode Late Bronstijd/Late IJzertijd (1150-500 v. Chr.) beter te duiden.
Er werden ook opvallend veel resten van zogenaamde 'spiekers' aangetroffen (17 stuks). Deze spiekers zijn allen noordwest-zuidoost gericht, zijn zespalig en werden gebruikt voor de opslag van voedselgewassen en hooi. De kern van de nederzetting werd echter niet aangetroffen. Naar alle waarschijnlijkheid is deze gelegen vlak ten zuiden van de opgraving onder een opslagterrein voor containers.
Een laatste periode die vertegenwoordigd is op de archeologische site is de Nieuwe Tijd (16de-17de eeuw). Uit deze periode dateren vermoedelijk honderden haardkuilen. Deze werden liggend op één lijn aangetroffen zodat deze kuilen moeten geïnterpreteerd worden als behorend tot een legertentenkamp of verdedigingsgordel met kampement. In de 17de eeuw had rond Maastricht drie keer een beleg plaats: in 1632 (Frederik Hendrik), in 1673 (Lodewijk XIV) en nog eens in 1676 (Willem III). Nader onderzoek van de vondsten zal uitmaken in welke periode de Europarksporen vallen. Leuke vondst is een zilveren ring en enkele stukken aardewerk (steengoed kan, aardewerk bord, schaaltje,...).
De definitieve resultaten zullen in de loop van 2008 bekend gemaakt worden. De meest markante vondsten zullen in de loop van 2008 ook het voorwerp vormen van twee kleine tentoonstellingen. Eén van deze tentoonstellingen gebeurt in samenwerking met het Gallo-Romeins museum in Tongeren.
Meer info: Tim Vanderbeken (ZOLAD) - Peter van den Hove (Agentschap RO-Vlaanderen Onroerend Erfgoed)
Foto's: Baac bv
door Tijl om 18:19 | Opgravingen | Reacties (0)
27 januari 2008
Middeleeuws erf op site Gentse Ikea
Tijdens opgravingen op de terreinen waar de Gentse Ikea zal komen, zijn interessante archeologische vondsten gedaan. Er zijn sporen gevonden uit de ijzertijd, de Romeinse tijd en de middeleeuwen. Meest opmerkelijk is de vondst van een volledig erf uit de middeleeuwen, dat waarschijnlijk te dateren is tussen de 10de en 12de eeuw. Het erf maakte wellicht deel uit van een groter nederzettingscomplex dat door de aanleg van de parkings jaren geleden al grotendeels werd vernietigd.
Naar aanleiding van de nakende bouw van een Ikeavestiging bij Flanders Expo in Sint-Denijs-Westrem werd eind 2007 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd. Uit de vondsten gedaan in de lange parallelle proefsleuven bleek dat een deel van het bedreigde perceel moest opgegraven worden. In januari 2008 werd dit onderzoek uitgevoerd door een team van vier projectarcheologen in dienst van Ikea.
De vindplaats was niet alleen door het proefonderzoek gekend, maar al bij de aanleg van de parkings in de jaren 1980 werden grondverkleuringen en scherven gevonden, die aantoonden dat er een Romeins grafveld met vlakbij een Romeinse nederzetting te vinden was (1ste tot 3de eeuw van onze tijdrekening). Eveneens werden er middeleeuwse sporen opgemerkt. Door de moeilijke omstandigheden was het onderzoek beperkt tot het registreren van de vondsten en het kleinschalig opgraven van de meest interessante zones.
Het onderzoek in 2007-2008 kan door het inbouwen van een archeologisch advies in de MER-procedure en geadviseerd door de Dienst Stadsarcheologie van de Stad Gent, de archeologen van de Provincie Oost-Vlaanderen en RO Vlaanderen wel grondig uitgevoerd worden. De bouwheer nv Ikea draagt de kosten van het archeologische terreinwerk, inclusief de basisrapportage. De resultaten mogen gezien worden.
De oudste sporen zijn mogelijk te plaatsen in de IJzertijd (750 tot 50 voor onze tijdrekening). Tijdens die periode stond er een zespalig bijgebouwtje van ongeveer 3 bij 3 m, met op 15m daarvan een ovale kuil. Op het opgravingsterrein werden ook vijf Romeinse brandrestengraven aangetroffen (foto links). Uit vroeger onderzoek is er geweten dat deze zone zich net op de grens van een veel groter grafveld bevindt. De aangetroffen graven, zeer houtskoolrijk van vulling en met af en toe scherven van de potten die als bijgave dienden, behoren met andere woorden tot de periferie. Er werd eveneens een NW-ZO georiënteerde gracht opgemerkt, en een grote cirkelvormige verkleuring die uiteindelijk een drenkkuil bleek te zijn. Uit een recenter verleden als militair vliegveld stammen heel wat kuilen en waterputten.
Het meest indrukwekkend zijn de vondsten uit de volle middeleeuwen (10de tot 12de eeuw). Er werd wellicht een volledig erf aangesneden. Dit erf bestaat uit een groot tweeschepig hoofdgebouw van 21 bij 6,5 m, met vlakbij twee vierpalige bijgebouwen of schuurtjes van 4 bij 4 m. Dit erf behoort wellicht tot een groter nederzettingscomplex dat door de aanleg van de parking grotendeels vernietigd werd. Getuige hiervan zijn vier waterputten met houten bekisting (eenmaal een vlechtwerkwaterput, driemaal een vierkante bekisting van horizontale planken met vier zware hoekbalken) die werden aangetroffen op een deel van het terrein waarvan de bovenste laag (vermoedelijk met middeleeuwse sporen) verstoord was door die parking.
Bron: Stad Gent
door Tijl om 22:47 | Opgravingen | Reacties (0)
20 januari 2008
Archeologen gaan op zoek naar oudste geschiedenis Turnhout
De Archeologische dienst Antwerpse Kempen (AdAK) plant in februari archeologisch vooronderzoek ter hoogte van het cultureel centrum de Warande in Turnhout. Op deze plaats wordt binnenkort een ondergrondse parkeergarage gebouwd. De zone bevindt vlak achter het kasteel van de hertogen van Brabant. Volgens de archeologen is er een grote kans dat op deze plaats nog resten bewaard zijn de samenhangen met het vroegste Middeleeuwse Turnhout of ouder.
De bodemingrepen die met de bouw van een parkeergarage gepaard gaan, vormen een rechtstreekse bedreiging voor de waardevolle archeologische resten die zich vermoedelijk in de bodem bevinden. Daarom plant de AdAK in samenwerking met de Stad Turnhout en de projectontwikkelaar, de tijdelijke handelsvereniging Vinci Park - MBG - Van de Heyning een archeologisch vooronderzoek. AdAK zal door middel van proefsleuven het terrein (opp. 3300m²) onderzoeken en op basis van de resultaten verdere aanbevelingen formuleren voor eventueel vervolgonderzoek. Omdat men snel met de bouw wil starten, zal het vooronderzoek vermoedelijk al in februari 2008 plaatsvinden als de nodige vergunningen zijn afgeleverd.
Ter hoogte van het plangebied is nauwelijks bebouwing bekend uit de historische perioden. De vroegste gravure van Turnhout door Vorsterman van omstreeks 1667 (afbeelding links) geeft duidelijk aan dat het plangebied toen in gebruik was als bos en hertenwei, behorend tot het kasteel. Verder ten noorden bevindt zich het begijnhof. Op de Ferrariskaart van ongeveer 1775 is het bos naar de mode van de tijd omgevormd tot een (warande)park en ingericht met een geometrisch patroon van wegels en grasperken. Dit is ook duidelijk te zien op de kaart van Vandermaelen uit 1846.
In 1871 werd ten zuiden van het plangebied een nieuw gasthuis ingericht, dat in 1875 werd voltooid. Dit gasthuis nam een groot deel van het toenmalige kasteelpark in. Oude luchtfoto's van tijdens het interbellum tonen echter dat de gebouwen van het gasthuis niet tot aan het plangebied reikten, maar dat dit gedeelte in gebruik was als tuin. Ter hoogte van de huidige Kasteeldreef bevond zich vermoedelijk een kleine schuur. Het gasthuis werd gesloopt op het eind van de jaren '60 voor de bouw van het huidige cultureel centrum de Warande, dat in 1972 feestelijk werd geopend. Sindsdien is het gebied in gebruik als parkeerplaats.
Gezien de beperkte verstoring van het plangebied is er een grote kans dat hier nog resten bewaard zijn die samenhangen met het vroegste Middeleeuwse Turnhout of ouder. Bij het archeologisch onderzoek aan het nieuwe gerechtsgebouw in 2005, op de hoek van het Kasteelplein en de Kasteelstraat, werden nog paalsporen en kuilen uit de Volle Middeleeuwen (10de-12de eeuw) intact in de bodem teruggevonden. Ook de opgravingen bij het nabijgelegen Zegeplein in maart/april 2007 wijzen op relatief intensieve bewoning ter hoogte van de Grote Markt en het kasteel in deze periode. Dit alles sluit aan bij de vroegste historische bronnen over Turnhout.
Bron en foto's: AdAK
door Tijl om 23:51 | Opgravingen | Reacties (0)
18 januari 2008
Proefsleuvenonderzoek in Wondelgem brengt langbedden aan het licht
In de maanden oktober en november 2007 hebben projectarcheologen in dienst van het bedrijf Ruben Willaert bvba een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in het gebied 'Lange Velden' te Wondelgem, waar de bouw van een groot aantal woningen voorzien is. Door de Dienst Stadsarcheologie van de Stad Gent, het Agentschap R.O. Vlaanderen en de Provincie Oost-Vlaanderen werd voorafgaandelijk een proefsleuvenonderzoek geadviseerd.
Het onderzoek kwam er naar aanleiding van de door NV Extensa, NV Wonima en CV De Volkshaard geplande verkaveling van het terrein, waarin de bouw van een groot aantal woningen voorzien is. Dit zou een bedreiging vormen voor eventueel in de bodem aanwezige archeologische resten. Dankzij bereidwillige medewerking van de bouwheer konden voldoende tijd en middelen vrijgemaakt worden om dit onderzoek inderdaad te laten plaatsvinden.
Historisch kaartmateriaal, zoals de Kabinetskaart van Ferraris, duidt het gebied aan als een onbebouwd kouterlandschap. Hoewel de jongste decennia de directe omgeving van het plangebied nagenoeg volledig verkaveld en bebouwd is geworden, was archeologisch onderzoek hierbij nog een onbekende gast. Met uitzondering van door omwonenden van de akkers geraapte losse vondsten, waaronder aardewerk uit de late en vooral post-Middeleeuwen en enkele Neolithische artefacten, was het archeologische potentieel van de Lange Velden tot nu toe een onbekende.
Het proefsleuvenonderzoek op het circa 17,2 hectare grote terrein leverde inderdaad zeer weinig vondsten en sporen op, maar gaf niettemin enkele bijzondere zaken prijs. Ongeveer centraal in het terrein werden de restanten aangetroffen van twee grafmonumenten uit de Metaaltijden. Eén van beide structuren betrof een kringgreppel, de andere een vermoedelijk langbed.
De kringgreppel bezat een respectievelijke binnen- en buitendiameter van 8,5 en 11 m, had een breedte van circa 60 cm en was tot maximaal 28 cm onder het vlak bewaard. Coupes op diverse plaatsen toonden een komvormig profiel aan met een humeus, weinig gelaagd vullingspakket. Hoewel een graf niet bewaard is gebleven, past de kringgreppel van Wondelgem volledig in het funeraire beeld van de metaaltijden. Kringgreppels zoals deze komen reeds voor vanaf de vroege bronstijd en zijn geattesteerd tot in de Romeinse periode, waar ze graven markeerden.
Het langbed (afbeelding links) bestaat uit een smalle greppel met gebogen vorm, die oorspronkelijk wellicht een ovalen of langgerekt rechthoekige vorm moet hebben gehad. De structuur is helaas grotendeels verstoord door recente perceelsgrachten waardoor de oorspronkelijke vorm en grootte niet meer volledig achterhaald kunnen worden. Wel is nog duidelijk dat zich binnen de greppel een eenvoudige houtbouwconstructie bevond, bestaande uit een rechthoek van minstens acht kleine ronde palen. De breedte van deze eenschepige palenconstructie bedroeg circa 3 m, de minimale lengte 11 m. Mogelijk zijn de palen afkomstig van een dodenhuisje of andere houten constructie binnen het heuvellichaam. Merkwaardig is dat de greppel zowel aan de korte als lange zijde eindigt, wat in de coupes werd bevestigd. We mogen niettemin vermoeden dat de structuur oorspronkelijk een groter oppervlak heeft omsloten dan momenteel bewaard is gebleven. Dit wijst dan op onderbrekingen of doorgangen in de greppel. Hoe groot deze onderbrekingen waren, kan helaas niet meer achterhaald worden, gezien de rest van de structuur vernield is. Ter hoogte van deze uiteinden werden evenmin paalkuilen of groepen paalkuilen teruggevonden die zouden kunnen wijzen op de aanwezigheid van toegangsconstructies.
Langbedden mogen er dan wel niet helemaal onbekend zijn, het fenomeen is in Zandig-Vlaanderen (nog) erg slecht gekend. De structuur in Wondelgem vertoont echter grote gelijkenissen met plattegronden van langbedden die beschikbaar zijn uit Noord-Frankrijk, Noord-Duitsland en vooral Nederland. Langbedden zoals deze komen in bijna elk urnenveld van de Neder-Rijnstreek voor. Typologisch gezien sluit het exemplaar van Wondelgem het best aan bij de voor het noorden van Nederland beschreven langbedden. Het meest opvallende punt van overeenkomst hierin is de aanwezigheid van paalsporen binnen de omgevende gracht van de oudste Noord-Nederlandse langbedden. Net zoals in Wondelgem verhouden de paalsporen zich in een eenvoudige rechthoek tot elkaar, en worden omgeven door een afgerond rechthoekige of langgerekte ovale gracht. In het Noord-Franse Acy Romance en Antran zijn sterk vergelijkbare types onderzocht.
Hoewel dateerbare vondsten bij zowel de kringgreppel als het langbed in hun geheel ontbreken, lijken hun typologische kenmerken voldoende overtuigend om beide structuren te kunnen plaatsen binnen de voor België en Nederland beschreven funeraire tradities uit de late bronstijd en de vroege ijzertijd. Het gecombineerd voorkomen van kringgreppel en langbed versterkt dit nog meer. Weliswaar zijn nergens meer aanwijzingen gevonden voor (urnen)graven die zich binnen de monumenten of in de directe nabijheid daarvan hebben bevonden, maar dit lijkt inherent aan hun voorkomen in Zandig-Vlaanderen waar als gevolg van de slechte bewaaromstandigheden en de eeuwenlange en intensieve landbouwactiviteiten veel graven inmiddels verdwenen zijn. De crematiegraven waren slechts ondiep ingegraven, waardoor ze - samen met de bovenliggende heuvellichamen - door nivellering en ploegen verdwenen zijn. Alleen de dieper ingegraven structuren, zoals de rond de heuvellichamen aangelegde grachten, zijn deels bewaard gebleven.
Het verdichten van de proefsleuven in de directe nabijheid van de beide grafmonumenten, evenals het in een latere fase trekken van een tiental kijkvensters in januari 2008, heeft helaas geen bijkomende archeologische sporen meer opgeleverd.
Sporen van nederzettingen, uit welke periode ook, ontbraken in de Lange Velden helaas totaal. Het gebrek aan deze sporen duidt erop dat de in het verleden van de akkers verzamelde vondsten overwegend door bewerking op het land terecht gekomen moeten zijn. Het is vermoedelijk nederzettingsafval dat samen met de mest op de akkers is opgebracht. De prehistorische vondsten zijn waarschijnlijk wel uit de omgeving afkomstig, maar inmiddels door ploegen en landbewerking in de ploeglaag verzeild geraakt.
Meer info: Ruben Willaert
door Priscilla om 20:10 | Opgravingen | Reacties (1)
Archeologen op zoek naar geschiedenis Aldeneikse kerk
Vorige week is de dienst Archeologie van de stad Maaseik begonnen met opgravingen in de St.-Annakerk in Aldeneik, een gehucht van Maaseik. Tot eind maart zal door vijf archeologen intensief worden gezocht naar resten van vorige kerken of andere vondsten die belangrijk zijn voor de geschiedenis van Maaseik. Conservator-archeoloog Hubert Heymans staat in voor de geschiedkundige begeleiding van het project.
Rond 730 stichtten de gezusters Harlindis en Relindis op het domein van hun vader Adelard, dichtbij de Maas, het Benedictinessenklooster Eike. De Noormannen verwoestten het vrouwenklooster in de 9de-10de eeuw. Om te voorkomen dat de goederen van de abdij aan plaatselijke edelmannen zou toevallen, schonk keizer Otto I het domein aan het Prinsbisdom Luik. De prinsbisschop stichtte er een kapittel van kanunniken. Zij bouwden in het begin van de 12de eeuw de nu nog grotendeels bestaande romaanse kerk. De westbouw en het gotisch koor dateren uit de 13de eeuw. Vanaf de 18de eeuw werd de kerk toegewijd aan de Heilige Anna. Primitieve muurschilderingen in rode oker uit de 13de eeuw behoren tot de oudste van België.
De kerk werd al op 21 september 1936 bij Koninklijk Besluit uitgeroepen tot beschermd monument. De restauratie van de kerk aan de buitenkant is al beëindigd. Na de opgravingen komt er vloerverwarming in de kerk. Het publiek kan de werken volgen tijdens de infomomenten die de archeologische dienst zal inlassen.
Bron: Het Laatste Nieuws - 18 januari 2008
Foto: Paul Hermans - Wikimedia Commons
door Tijl om 12:14 | Opgravingen | Reacties (1)
11 januari 2008
Overblijfselen van stichter Bijloke gevonden?
Bij opgravingen op de Bijlokesite in Gent ontdekten de Gentse stadsarcheologen onlangs een kist met beenderen. De beenderen in de kist zijn vermoedelijk van Fulco uten Hove, die in het begin van de 13de eeuw samen met zijn zus Ermentrudis aan de basis lag van de oprichting van het Bijlokehospitaal. Het archeologisch onderzoek gaat vooraf aan de nieuwbouw van het STAM, het toekomstige Stadsmuseum Gent dat in 2009 de deuren zal openen.
In het kader van de infrastructuurwerken voor het STAM wordt de 14de -eeuwse oostelijke vleugel van de voormalige Bijlokeabdij weer vrijgemaakt door het slopen van enkele bijgebouwen. Zoals bij elke ingreep in de Bijloke sinds 1988 het geval is, gaan dergelijke werken gepaard met onderzoek door de Dienst Stadsarcheologie. In de vloer van het 20e -eeuwse toegangsgebouw van de abdijkerk bevond zich een 17e -eeuwse grafsteen die voorzichtig werd weggenomen. Hierbij kwam een loden kist aan het licht die menselijke beenderen en een verzegeld flesje met een opgerold perkament bevat.
Volgens de grafsteen moeten het de resten zijn van Fulco uten Hove zijn die op 31 augustus 1243 overleed. Kanunnik Fulco of Volker was een lid van de bekende Gentse patriciërsfamilie uten Hove. Hij maakte deel uit van het kapittel van de Sint-Pieterskerk in Rijsel (Lille). Samen met zijn zus Ermentrudis lag hij aan de basis van de oprichting van het Bijlokehospitaal. Nog voor 1200 stichtte zij een hospitaal, toegewijd aan Maria. Aanvankelijk was dit gevestigd in een huis van de familie uten Hove naast de Sint-Michielskerk. In 1228 werd de functie overgebracht naar de Bijlokemeersen en groeide de stichting uit tot het belangrijkste hospitaal van Gent.
Het graf van Fulco uten Hove bevond zich eeuwenlang in de hospitaalkapel. Het werd in 1653 voorzien van de nu nog bestaande grafsteen. In 1810 opende men het graf en werden de beenderen in een loden kist overgebracht naar een nieuw kapelletje op de Bijlokesite. Bij de afbraak van deze kapel werd de kist herbegraven in een bijgebouw van de voormalige abdijkerk, toen in gebruik als kloosterkapel, en opnieuw afgedekt met de 17de -eeuwse grafsteen.
Verder onderzoek van het skelet zal bijkomende informatie opleveren om de identificatie van de overledene te staven. Op basis van het skelet kan men het geslacht en de leeftijd achterhalen. Met radiokoolstofdatering is het mogelijk om te bepalen wanneer hij (of zij) ongeveer overleed. Het, waarschijnlijk 19de-eeuwse, flesje zal worden geopend door een gespecialiseerde restaurateur.
Bron: Stad Gent
Foto's: Dienst Stadsarcheologie Gent
door Tijl om 18:10 | Opgravingen | Reacties (0)
7 januari 2008
Merovingische graven op de Krokegemseweg in Asse
In de laatste fase van de opgravingen van de KULeuven te Asse-Krokegemseweg kwamen er een aantal Merovingische inhumatiegraven te voorschijn, waarvan er in totaal acht konden worden onderzocht. Als bijgaven werden voornamelijk aardewerk en kralen uit barnsteen en glaspasta aangetroffen. Eerder werd langs de Krokegemseweg ook al een bijzonder goed bewaard Romeins pottenbakkersatelier opgegraven door het team van Kristine Magerman en Ruben Pede.
De zeven graven aan de zuidwestelijke rand van het opgravingsterrein waren in twee rijen aangelegd. Eerder was al een graf aan het licht gekomen in het centrum van het opgravingsareaal. In de nabijheid van dit graf werd een losse Merovingische kraal aangetroffen. Mogelijk werden heel wat graven recent vernield bij de aanleg van de verkavelingswegen en de andere infrastructuurwerken voor de verkaveling. Alle graven hadden een NNO-ZZW oriëntatie. Ze werden afgelijnd door een fijne, blauwgrijze band die als het restant van de lijkkist beschouwd kan worden (foto links). Ook de kuil waarin de kist geplaatst werd, was in de meeste gevallen nog herkenbaar. Bij twee graven waren ook de houten dwarsbalkjes zichtbaar waarop de kist had gerust. De skeletten van de overleden personen waren niet bewaard gebleven maar binnen vier kisten waren wel vage sporen te herkennen van een lijkschaduw. Bij twee graven werden ook nog broze stukjes bot van de grote beenderen aangetroffen.
In de graven werd heel wat archeologisch materiaal gevonden. In totaal werden er 5 intacte potten aangetroffen (klik op de foto rechtsboven om te vergroten). Vier ervan hadden een rolstempelversiering of een ingekrast patroon op het bovendeel van de pot. Eén knikpotje was oxiderend gebakken en was niet versierd. Alle potten werden aan het voeteinde van de graven aangetroffen. Eén pot bevond zich in een apart kistje buiten de eigenlijke lijkkist.
Behalve aardewerk werden er in totaal een 50-tal kralen in glas, glaspasta en barnsteen aangetroffen in verschillende vormen, grootten en kleuren (foto rechts). De kralen bevonden zich telkens ter hoogte van de hals en de onderarm. Ten slotte bevatten de graven nog verschillende tientallen ijzeren objecten. In sommige gevallen konden gespen en andere gordelelementen herkend worden. Omwille van de sterke corrosie bevinden de metalen voorwerpen zich in de conservatie- en restauratiefase en konden ze nog niet geïdentificeerd worden. Mogelijk gaat het om wapens, kledingelementen en eventueel werktuigen of paardentuig. De karakteristieke vormen en versieringen van het aardewerk laten toe om de graven eerder in de 6de eeuw te dateren.
Op basis van de bijgaven kan vermoed worden dat er minstens drie vrouwengraven waren. Eén graf kan als een mannengraf beschouwd worden. Bij de andere vier graven kunnen geen uitspraken over het geslacht van de overledene gedaan worden. Vermoedelijk zijn de graven slechts een deel van het oorspronkelijke grafveld waarvan de oorspronkelijke omvang niet bepaald kon worden. Bewoningssporen uit deze periode werden in het opgravingsareaal niet aangetroffen.
De vondst van deze Merovingische graven is voor Asse van groot belang gezien er nog geen sporen van nà de Romeinse occupatie waren aangetroffen. De opgravingen worden momenteel afgesloten.
Het team van de Onderzoekseenheid Archeologie van de KULeuven dat de opgraving uitvoert staat onder leiding van archeologen Kristine Magerman en Ruben Pede en bestaat verder uit gemeentearbeiders, studenten Archeologie en vrijwilligers van de lokale archeologische vereniging, Agilas vzw. Het project staat onder supervisie van prof. Marc Lodewijckx. De opgravingen gebeuren in nauwe samenwerking met de Gemeente Asse en worden nagenoeg volledig gefinancierd door de bouwheer Villabouw Francis Bostoen nv.
Meer info: Kristine Magerman (Tel.: 0474/29.95.67)
door Johan om 20:58 | Opgravingen | Reacties (0)
6 januari 2008
In de voetsporen van de middeleeuwse Melselenaar
In het najaar van 2005 deed de Archeologische Dienst Waasland bij werken rond de Onze-Lieve-Vrouwkerk van Melsele (Beveren) verscheidene archeologische vaststellingen. Het onderzoek van onder meer een middeleeuws wegtrace en de kerkhofmuur werpt een nieuw licht op de vroegste ontwikkelingen van de middeleeuwse dorpskern van Melsele. Archeoloog Jeroen Van Vaerenbergh publiceerde in het nieuwe nummer van het tijdschrift 'Het Land van Beveren' een verslag.
De meeste vaststellingen bij de archeologische begeleiding werden gedaan ten oosten van het kerkgebouw. Onder de Dambrugstraat en verder ten oosten van de kerk kregen de archeologen een goed beeld van het ontstaan en de ontwikkeling van een wegtracé. De noord-zuid verlopende weg volgt volledig het tracé van de huidige straat en wordt gekenmerkt door een complexe opeenstapeling van verschillende wegniveaus, die doorheen de tijd tot ontwikkeling zijn gekomen. Op basis van de interpretatie van deze opeenvolgende wegniveaus en een studie van het archeologische materiaal, kon een reconstructie worden gemaakt van het ontstaan van dit eeuwenoude wegtracé.
Via het onderzoek in Melsele wordt ons opnieuw een blik gegund op het ontstaan van de Wase dorpskernen. De ontwikkelingsgeschiedenis van de middeleeuwse weg in Melsele kan gekoppeld worden aan het geheel van archeologische vaststellingen met betrekking tot de dorpsontwikkeling in het Waasland. Zowel in de dorpscentra van Temse, Vrasene en Waasmunster kan de oorsprong van het huidige wegenpatroon ten vroegste getraceerd worden tot de 11de-12de eeuw. In Melsele gaan de oudste (vastgestelde) sporen van de weg achter het kerkdomein pas terug tot in de vroege 13de eeuw. Toch is het ook daar duidelijk dat er reeds bewoning was in de 11de-12de eeuw.
In de periode 1000-1300 kende het binnenland van Vlaanderen een grote ontginningsbeweging en een algemeen veronderstelde bevolkingstoename. Vereenvoudigd kan gesteld worden dat gedurende deze periode het bouwland ge(her)groepeerd werd en er een concentratie van nederzettingen plaatsvond. Door de inplanting van een kerk, vaak nabij een reeds bestaande bewoningsconcentratie, werd de kiem gelegd voor de huidige dorpskernen. Een snelle ontwikkeling van het wegenpatroon is dan ook een indicatie van hun groeiende belang. Ook in Melsele is het duidelijk dat er ten vroegste pas vanaf de 11de-12de eeuw sprake kan zijn van een georganiseerde ontwikkeling van de dorpskern.
Het natuurlijke niveauverschil tussen het kerkdomein en de openbare weg werd in de loop van de 13de eeuw opnieuw geaccentueerd door de bouw van een kerkhofmuur. Het afsluiten van het kerkdomein, meer bepaald de kerk met het kerkhof, had verschillende redenen. Vooreerst was binnen het kerkelijke domein het zogenaamde immuniteitsprincipe van toepassing. Ook in Melsele maken verschillende geschreven bronnen melding van personen die asiel zochten binnen de kerkhofmuren. Ten tweede had de afsluiting ook een economische functie. Het grasland en de notelaars van het kerkhof werden verpacht en vaak liet men er dieren grazen. Ten slotte diende het kerkhof afgesloten te worden uit piëteit voor de overledenen en het "Huis van God". Daarenboven werd het kerkhof van Melsele verschillende keren gebruikt als kamp- en slaapplaats voor troepen in doortocht.
Ten zuiden van de kerk werd bij het onderzoek ook nog het het oude kerkhof doorsneden. Hierbij kwamen verschillende skeletresten aan het licht. Aangezien het onmogelijk was een chronologie op te stellen van de opeenvolgende begravingen, en een doorgedreven onderzoek bijgevolg weinig essentiële informatie zou opleveren, werden de menselijke resten ongemoeid gelaten. Op het Rudolf Esserplein kregen de archeologen ten slotte de kans om de restanten van het zogenaamde Huis van Briels van naderbij te bekijken.
Meer info: een abonnement op de volumineuze jubileumjaargang 2007 - 584 pagina's - van het driemaandelijkse heemkundige tijdschrift 'Het Land van Beveren' kost slechts 10 euro, en is te verkrijgen door storting op het rek.nr. 415-3035931-40 van de gelijknamige Hertogelijke Heemkundige Kring met als mededeling "abonnement 2007". Een losse aankoop van dit bijzondere decembernummer 2007 bedraagt 6 euro exclusief verzendingskosten (mededeling "decembernummer 2007").
door Tijl om 23:04 | Opgravingen | Reacties (0)
26 december 2007
Akkerprospecties in Zondereigen
Sinds 2004 prospecteren leden van de heemkundige werkgroep Zondereigen de plaatselijke akkers. Zondereigen is een parochie, deels gelegen op het grondgebied van de gemeenten Baarle-Hertog en Merksplas (provincie Antwerpen). Het archeologisch project werd door het archeologisch adviesbureau RAAP opgestart in het kader van een ruilverkavelingonderzoek. Het project zit intussen duidelijk op kruissnelheid. De vele vondsten vanaf het middenpaleolithicum tot en met de late middeleeuwen getuigen daarvan.
Na het eindrapport van Bart Robberechts werd het onderzoek vanaf 2005 verder gezet door Herman Janssen en Leo Dufraing, die zich beiden ontpopten als gedreven vrijetijdsarcheologen. Zij laten zich bij hun zoektochten begeleiden door beroepsarcheologen, werkzaam bij het Vlaams Instituur voor het Onroerend Erfgoed (VIOE), de Katholieke Universiteit van Leuven (KUL), Bilan Tilburg en de Archeologische Dienst van de Antwerpse Kempen (ADAK Turnhout). Dozen vol met vuurstenen en potscherven werden in 2007 van de akkers geraapt, goed voor... 1.204 vondsten. De voorbije drie jaar werden er meer dan 2.500 stuks verzameld. Nu het resultaat van de determinaties bekend is, blikken we even terug op een archeologisch topjaar.
Steentijd
Tot hiertoe zijn in Zondereigen 108 steentijdsites ontdekt en de meeste werden gedurende meerdere periodes bewoond. Heel wat van die sites bevinden zich op de flank van de dekzandrug nabij het riviertje de Noordermark. Een andere concentratie situeert zich bovenop het Kempisch plateau, vlakbij het Moer.
Tijdens het middenpaleolithicum was Zondereigen nog schaars bevolkt. De ontdekking van drie nieuwe vindplaatsen brengt het totaal op zeven. Het vondstenaantal uit die periode bedraagt negenenzestig stuks, tot vorig jaar waren er dat nog maar vier. Op de Gelse Bergen hebben Neanderthalers gedurende langere tijd hun kamp opgeslagen. Tot de vondsten aldaar behoren o.a. een boordschrabber (foto links), een Levallois afslag en een Levallois kern.
Zondereigen telt twee Federmesser kampplaatsen, naast een zevental (misschien) eerder toevallige vindplaatsen uit het epipaleolithicum. Op de Baarlebrugse Beemden werden o.a. drie schrabbers, een afgeknotte afslag en een kling (foto rechts) gevonden. Verder noteerden we in 2007 een buitengewoon grote oogst aan mesolithisch materiaal, ca. honderd objecten. Uit het neolithicum werden zeven fragmenten van gepolijste bijltjes verzameld.
Het afgelopen jaar werden maar liefst 533 steentijdvondsten genoteerd. Zo leverde een versgeploegde wei vlakbij de Noordermark meteen vijfendertig vuursteenvondsten op. Het totaal aantal kernen werd zowat verdubbeld dankzij tweeëndertig nieuwe vondsten. Onze collectie telt er nu eenenzestig. Tot slot kunnen we nog negenenvijftig klingen, dertien schrabbers, vijf pijlpunten en zevenentwintig andere werktuigen vermelden onder de vondsten.
Metaaltijden tot late middeleeuwen
De collectie scherven werd in 2007 eveneens flink uitgebreid. Het aantal van de akkers geraapte potscherven uit de metaaltijden tot en met de late middeleeuwen bedraagt 671 stuks. Dat is bijna zoveel als de drie vorige jaar samen. Maar dit hoge aantal is vooral terug te voeren op één opmerkelijke vindplaats. Op een akker van de Ginhovense Velden werden dit jaar namelijk 443 kogelpotscherven uit de 10de tot de 11de eeuw opgeraapt. In 2006 waren op deze plaats al 192 vondsten. Deze ongewoon grote aantallen roepen vraagtekens op. Was op deze plaats een pottenbakker actief? Een pottenbakkersatelier uit de volle middeleeuwen is voor zover bekend nog niet teruggevonden in onze omgeving.
Eén van de meest opvallende vondsten in 2007 was een scherf uit de late bronstijd tot ijzertijd. Die vind je in de Kempen zelden door middel van akkerprospectie omdat ze zich meestal onder een plaggendek bevinden. Eveneens werd een fragment (foto boven links) van een vijfribben armband gevonden, het glazen kleinood dateert uit de late ijzertijd.
In de omgeving van de Noordermark zijn weer een veertigtal Romeinse en vroegmiddeleeuwse scherven gevonden. Er is in Zondereigen ook voor het eerst handgevormd aardewerk uit Elmpt aangetroffen. Net als Paffrath aardewerk heeft Elmpter aardewerk een schilferige, bladerdeegachtige structuur. Nog een opmerkelijke vondst is de 'baardman' (foto rechts). Er waren al fragmenten van baardmankruiken aangetroffen, deze keer hebben we het typerende gezicht gevonden waarnaar de kruiken genoemd worden.
Studenten gezocht!
Voor wie op zoek is naar een onderwerp voor een studie of thesis, biedt het Zondereigens project de volgende jaren een heel bijzondere uitdaging. De mogelijkheden zijn legio en variëren van het op kaart zetten van de vindplaatsen tot het trekken van conclusies. Van assistentie bij het onderzoek op een middenpaleolithische site door professor Philip Van Peer (K.U.Leuven) tot het onderzoek van een mogelijke woonplaats van een pottenbakker uit de volle middeleeuwen. Of wat dacht je van de studie over de samenwerking tussen professionele en vrijetijdsarcheologen. Het afgelopen jaar gingen de buren van heemkundekring Merksplas eveneens met akkerprospecties van start, werden in Hoogstraten gelijkaardige plannen gesmeed en besteedde de overkoepelende heemkundige organisatie (Gouw Antwerpen) de nodige aandacht aan het project.
Tot slot wordt gedacht aan de realisatie van een archeologisch leerpad langs de Noordermark, in samenwerking met de gemeente Baarle-Hertog en de VLM (in het kader van de geplande ruilverkaveling). Daartoe zal het verband tussen het landschap en de site beschreven worden. Bij ons weten bestaat er nergens anders een wandelpad dat op een dergelijke schaal (van steentijd tot late middeleeuwen) de archeologie met het landschap in verband brengt. Bovendien bevindt het beschreven archeologisch erfgoed zich nog altijd in situ. Ook plaatselijke legendes kunnen verwerkt worden in dit educatief project. Mede daarom wordt getracht om de Vossenberg (een afgegraven middeleeuwse motte) terug zichtbaar te maken in het landschap.
De akkerprospectie in Zondereigen heeft mooie resultaten opgeleverd en de heemkundekring heeft nog mooie projecten op stapel staan voor de toekomst. Wie hieraan wil meewerken of meer informatie wenst kan contact opnemen met Herman Janssen.
Aansluitend artikel: Zondereigen: de best geprospecteerde zone van Vlaanderen? (24 februari 2006)
door Priscilla om 15:30 | Opgravingen | Reacties (0)
16 december 2007
Opgraving Vermeulenstraat in Tongeren verlengd
De opgraving aan de Vermeulenstraat in Tongeren wordt met drie maanden verlengd. De nieuwe einddatum van het project is nu vastgelegd op 31 maart 2008. Studenten met enige ervaring in schaven, couperen, opmeten en optekenen zijn dus nog welkom van begin januari tot eind maart om een handje toe te steken op de opgravingen. Bij interesse kunnen ze contact opnemen met Kristien Borgers (0497/12.99.09), en dit minstens een week vóór de periode wanneer ze willen komen.
door Tijl om 21:48 | Opgravingen | Reacties (1)
5 december 2007
Onderzoek Profruco in Vrasene werpt vruchten af
Ondanks het uitblijven van een archeologisch advies ging de Archeologische Dienst Waasland de graafwerkzaamheden rond de nieuwe fruitveiling Profruco in Vrasene uitgebreid gaan prospecteren. Een lonende aanpak, aangezien er al snel archeologische sporen aan het licht kwamen. Ondertussen is in samenspraak met de bouwheer een archeologisch onderzoek uit de grond gestampt, waarbij al een Bronstijd grafcirkel en twee IJzertijd nederzettingen werden vrijgelegd.
Toen enkele maanden geleden gestart werd met de machinale afgraving van de percelen waar de nieuwe infrastructuur van de fruitveiling Profruco cv zal verschijnen, was de Archeologische Dienst Waasland (ADW) van bij aanvang present om het terrein van ca. 3 ha aan een grondige prospectie te onderwerpen.
Toen enkele maanden geleden gestart werd met de machinale afgraving van de percelen waar de nieuwe infrastructuur van de fruitveiling Profruco cv zal verschijnen, was de Archeologische Dienst Waasland van bij aanvang present om het terrein van ca. 3 ha aan een grondige prospectie te onderwerpen.
Hoewel het om een private bouwwerf gaat en er voorafgaandelijk geen archeologisch advies was gevraagd, besteedde de ADW toch de nodige aandacht aan de grootschalige bodemingreep die er zou plaatsvinden. Door deze manier van werken zijn in het Waasland reeds verscheidene belangwekkende sites aan het licht gekomen die aanvankelijk aan de archeologische advisering waren ontglipt. Wanneer bij de eerste evaluaties bleek dat er in Vrasene archeologisch relevante sporen aan het licht kwamen, werd onmiddellijk overgegaan tot het afsluiten van een onderzoeksovereenkomst met de eigenaar.
In samenspraak met de aannemer werd beslist dat eerst de nieuwbouwzone onderzocht zou worden. Nadien volgde het onderzoek van de perifere zones, waar de werken pas later zou starten. Het resultaat was dat de bouwactiviteit (nivelleren en ophogen van het gehele terrein) nooit volledig gestaakt diende te worden. Des te groter was onze verbazing dat we in Het Nieuwsblad en De Standaard van 28 november dienden te lezen dat ten gevolge van het archeologisch onderzoek de ingebruikname van de fruitveiling met enkele maanden moest uitgesteld worden. Het is zeer jammer dat door dit ene artikel onze jarenlange positieve samenwerking met verschillende instanties en aannemers in het Waasland op de helling wordt gezet. De sterkte van de Archeologische Dienst Waasland binnen de regio was en is nog steeds de mogelijkheid om op een snelle manier interventies aan te vatten en deze op een wetenschappelijk correcte manier (steeds in samenspraak met de aannemers en eigenaars) af te handelen.
De site Profruco is voornamelijk van belang door haar ligging op de grens tussen de hoger gelegen zandgronden en het veengebied, de huidige polders. Voorgaand onderzoek op gelijkaardige locaties in het Waasland heeft meermaals aangetoond dat dergelijke posities in het verleden geprefereerde vestigingsplaatsen waren (Sint-Gillis-Waas - Kluizenmolen/Reepstraat,...). In het kader van het beter begrijpen van de regionale bewoningsevolutie was een archeologische screening, al dan niet gevolgd door archeologisch onderzoek, dus van groot belang.
Vandaag is het volledige terrein gescreend en kan gesteld worden dat er drie archeologisch relevante zones kunnen onderscheiden worden: één grafcirkel en twee nederzettingszones.
De grafcirkel met een diameter van ca. 25 m, die globaal in de vroege/midden-Bronstijd kan gedateerd worden, leverde een beperkte hoeveelheid archeologica op. De aangetroffen houtskoolresten in de bodempakketten zal hoogstwaarschijnlijk een preciezere datering mogelijk maken. Deze grafcirkel is de derde die in de laatste vier jaar in het Waasland aangetroffen werd. In 2003 kwam aan de Hogen Akkerhoek in Kruibeke een dubbele grafcirkel aan het licht, met de uitzonderlijke vondst van een zogenaamde Drakensteinurne. In 2006 volgde opnieuw een dubbele grafcirkel aan de Nerenhoek in Beveren (slechts enkele honderden meter verwijderd van de site Profruco). Geen van deze grafcirkels was voordien gedetecteerd door middel van luchtfotografie.
De twee gescheiden nederzettingszones kunnen op basis van een eerste evaluatie van de keramiek in de late-IJzertijd gedateerd worden. Slechts bij één van beide kan een duidelijk woonstalhuis met bijgebouwen onderscheiden worden. De andere zone wordt gekenmerkt door een lange rij éénschepige structuren. Het is opvallend hoe de oriëntatie van beide occupatiezones volledig accordeert met de richting van de perceelsgreppels waarin ook Gallo-Romeins aardewerk werd aangetroffen. Misschien is hier sprake van een zekere graad van continuïteit binnen het grondgebruik tussen de late-IJzertijd en de Gallo-Romeinse periode. Het onderzoek van één van beide nederzettingscontexten zal in het voorjaar van 2008 verdergezet worden.
Meer info: Jeroen Van Vaerenbergh, verantwoordelijk terreinarcheoloog ADW
door Johan om 0:01 | Opgravingen | Reacties (2)
2 december 2007
Opgraving Prins Albertstraat in Roeselare ten einde
De Vereniging voor Oudheidkundig Bodemonderzoek in West-Vlaanderen (V.O.B.o.W.) en de Werkgroep Archeologie Roeselare hebben hun noodonderzoek op de site aan de Prins Albertstraat in Roeselare deze week afgerond. Er werden resten aangetoffen van 't Goed Vrouwenhove (14de -18de eeuw) en de recentere hoeve 'Sabbe's Hof' (19de-begin 20ste eeuw). Uit beide bewoningsfasen kwamen relatief veel dierenbotten, metaal- en aardewerkvondsten aan het licht.
De oudste geschreven bron over deze site dateert van 1444. Het Vrouwengoed was eertijds eigendom van de Burggravie, gelegen in een mote met walgracht nabij de Sint Michielskerk en later in de toenmalige zetel van de Burggravie in het huis Rapenburch, gelegen naast de Ooststraat. In 1534 werd het Vrouwengoed reeds verpacht. In de 17de en 18de eeuw spreekt men nog altijd van Vrouwenhove of Vrouwenhoeve. Pas in de 19de eeuw duikt de naam op "Sabbe's Hof". In 2002 werden bij rioleringswerken op de site al een funderingsmuur van de hoeve, twee gemetselde waterputten en een vloer in rode baksteen gevonden.
Bij het voorbije noodonderzoek legden de opgravers de grondvesten bloot van een noord-zuid georiënteerd hoofdgebouw (27m lang en 8m breed), vermoedelijk een langgevel hoevetype. Daarnaast werden ook losse bouwelementen zoals kelders, een beerput en stallingen geregistreerd. In het hoofdgebouw bevonden zich de woonkamer met haard. Achter de haard lag een cannelure of afwateringskanaaltje, deels aflopend naar het oosten, deels naar het westen. Ten noorden van de woonkamer bevond zich een voutekelder waarin een trap met drie treden met merkwaardig schuin metselwerk op de zijkant (zogenaamd vlechtwerk of zwaluwstaart ). Daarnaast lag een tweede kelder met gebogen gewelf, eveneens met een toegangstrap met drie treden. Vlak ertegenover doken twee mooie rondbogen op of ondiepe nissen die kunnen wijzen op een stapelplaats met voorraden. Ten noorden van deze kelders werd nog een derde kelder aangetroffen. Tussen deze kelders bevond zich een waterput. In het voorjaar van 2007 ging de aandacht van de opgravers voornamelijk uit naar het noordelijke deel van de opgraving met een beerput met gebogen gewelf, ten zuiden de stortkoker en ten noorden het schep - of wingat. Boven de beerput bevonden zich de verdwenen stallingen. Hiervan getuigen de gevonden grote en kleinere brokstukken in zwarte Doornikse hardsteen, afkomstig van de tussenschotten tussen de koeienslieten.
Van augustus tot begin november onderzochten de opgravers de walgracht van de hoeve en een grote afvalkuil ten oosten van de woonkamer. Vooral de onderste lagen van deze humusrijke kuil wijzen op afval uit de woonkamer. Veel fragmenten van blauwe muurbepleistering bevestigen de relatie van de afvalkuil met de woonkamer. In tegenstelling tot het onderzoek van de beerput en stallingen werden in deze afvalkuil een massa potscherven in aardewerk gevonden: oxiderend gebakken scherven van verschillende melkteilen, kommetjes met liggende oren (16de-17de eeuw), steelpannen, aardewerk in rode bakking met witte slibversiering, aardewerk in witte bakking met rode slibversiering, steengoed en majolica-aardewerk.. Een grote kruik met oor bevond zich in een ronde gemetselde structuur (diameter 80cm) gelegen ten oosten van de woonkamer. Een witbakkende pijpenkop, afkomstig uit Gouda, levert een scherpe datering op tussen 1685 en 1700. "Door de aanwezigheid van diverse bouwfasen is het onmogelijk een scherpe lijn te trekken tussen de funderingen van 't Goed Vrouwenhove en Sabbe's Hof," stelt opgravingsleider Jozef Goderis. "Maar beide zijn aanwezig en leverden meer vondsten op dan verwacht."
Meer info: www.vobow.be. Op maandag 17 december 2007 om 19.30u geeft Jozef Goderis in Au Damier (Stationsplaats, Roeselare) een voordracht over de archeologische werkzaamheden in Roeselare, met inbegrip van de recente vondsten op de site Vrouwenhove-Sabbe's Hof.
Foto's: Jozef Goderis - Hendrik Demiddele
door Tijl om 15:43 | Opgravingen | Reacties (0)
18 november 2007
Uitzonderlijk goed bewaarde hondenschedel opgegraven in Opwijk
Tijdens een verkennend archeologisch onderzoek in Opwijk hebben archeologen van het projectbureau Archaeological Solutions enkele goed tot zéér goed bewaarde dierlijke botresten gevonden. Het gaat om een quasi intacte hondenschedel en een goed bewaarde runderkaak. Het botmateriaal zou dateren uit de overgangsperiode van de late-IJzertijd naar de vroeg-Romeinse tijd.
In opdracht van de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen en o.l.v. projectleider Kristof Verelst, startte projectbureau Archaeological Solutions op 14 september met de uitvoering van een verkennend archeologisch onderzoek in Opwijk. De terreinen situeren zich ter hoogte van de Millenniumstraat in het centrum van Opwijk en zijn gelegen onmiddellijk ten zuidwesten van het gekende 'Hof ten Hemelrijk'.
Tijdens de gedetailleerde opgraving van een kuil kwamen eind oktober dierlijke botresten te voorschijn: een quasi intacte hondenschedel en een runderkaak. Gezien de uiterst goede bewaringstoestand werd tijdens het terreinonderzoek besloten om deze botresten zéér voorzichtig uit te prepareren. Nadien werden ze telkens in één blok gelicht om verdere beschadiging te voorkomen. Ze werden sedert hun ontdekking voor verder advies getoond aan binnen- en buitenlandse archeozoölogen.
De aanwezigheid van zulk oud en quasi intact bewaard gebleven botmateriaal kwam als een verrassing voor de archeologen. "Het teruggevonden aardewerk komt immers zo fragmentarisch te voorschijn dat we er vanuit gingen dat dit ook het geval ging zijn voor de andere vondstcategorieën zoals bijvoorbeeld bot," getuigt archeoloog Verelst.
"Hoewel verder laboratoriumonderzoek zal moeten zorgen voor een uiterst scherpe datering van zowel hondenschedel als runderkaak, dienen we het op dit ogenblik te stellen met een ruime datering van 100 voor Chr. tot 100 na Chr," zegt Verelst. "Dat is de overgangsperiode van de late-IJzertijd naar de vroeg-Romeinse tijd. Het teruggevonden aardewerk is tot nu toe het enige aanknopingspunt, maar is te fragmentarisch bewaard gebleven om exact te kunnen dateren. Een mogelijke oplossing zou een Koolstof-14 datering op de hondenschedel kunnen zijn, waardoor de datum van overlijden van de hond bepaald wordt. Toch bekijken we eerst de kansen tot het welslagen van een 14C-onderzoek, vooraleer we op zoek gaan naar een sponsor."
Een mogelijke reden waarom de hondenschedel zo intact bewaard bleef, hangt volgens de onderzoekers af van twee belangrijke factoren. Ten eerste is de schedel ongetwijfeld vers (en dus direct na de dood van de hond) begraven geweest. Ten tweede staat het grondwaterpeil ter hoogte van de Millenniumstraat van nature uit hoog tot zeer hoog, wat maakt dat bacteriële werking nooit geheel doorgang vond. Over het hoe en waarom van het deponeren (of begraven?) van een verse en quasi intacte hondenschedel in een grote kuil, bestaat op dit eigenlijke moment nog heel wat twijfel bij de archeologen. Gaat het daadwerkelijk om de aanwezigheid van een huisplattegrond, waarbij de hondenschedel op rituele wijze in of in de directe omgeving van een gebouw gedeponeerd werd, of is er misschien meer aan de hand?
Meer info: Kristof Verelst
Foto's: copyright Archaeological Solutions'
door Tijl om 22:42 | Opgravingen | Reacties (7)
13 november 2007
Sporen van Romeinse bewoning gevonden in Meise
In opdracht van de intercommunale Haviland voerde het archeologisch onderzoek- en adviesbureau TRIHARCH afgelopen zomer een onderzoek uit op het toekomstig regionaal bedrijventerrein in Meise-Westrode. Hierbij werden verschillende nederzettingen uit de Romeinse periode ontdekt. Het betreft een aantal boerderijen met bijhorende schuren, stallen, akkers, weiden, drenkpoelen... Ook werden de grachten van een Romeinse landweg gevonden.
Alhoewel in dit gebied geen archeologische vondsten gekend waren, bestond toch de kans dat er zich archeologisch erfgoed zou bevinden. "Omdat het belangrijk is om een dergelijk bedrijventerrein op een duurzame manier te ontwikkelen, achten wij het noodzakelijk om ook de impact op eventueel aanwezige archeologische vindplaatsen te laten onderzoeken," stelt Kris Leaerts, afdelingshoofd operationele diensten van intercommunale Haviland.
Triharch heeft in juli en augustus het archeologisch onderzoek van meer dan 50 hectare op zich genomen. Hiervoor werden op regelmatige afstand twee meter brede sleuven aangelegd. "De vele zomerse regenbuien stremden het werk wel, maar door het enthousiasme en de werklust van het team slaagden wij er toch in om het onderzoek binnen de afgesproken termijn op te leveren," vertelt Walter Sevenants, archeoloog en zaakvoerder van Triharch.
De oudste resten die gevonden werden, zijn een aantal stenen werktuigen uit de prehistorie. Deze werden waarschijnlijk achtergelaten door jagers/verzamelaars op doortocht. Een gepolijst stenen bijltje uit het Midden-Neolithicum (4.500 tot 3.500 voor Christus) wijst erop dat er toen reeds bomen gekapt werden in dit gebied. De meest interessante sporen die aangetroffen werden, dateren uit de Romeinse periode, meer bepaald uit de 2de en 3de eeuw na Christus. Het betreft een aantal boerderijen met bijhorende schuren, stallen, akkers, weiden, drenkpoelen... Ook werden de grachten van een Romeinse landweg gevonden. Of de archeologen hier te maken hebben met een deel van de Romeinse weg Asse-Rumst kon nog niet uitgemaakt worden.
Volgens Walter Sevenants zijn dergelijke landelijke Romeinse nederzettingen in Vlaanderen op deze schaal vrij ongekend. De goed bewaarde sporen van Romeinse erven in Westrode herbergen een schat aan informatie over hoe en waarom de Romeinse boer in dit gebied (over)leefde én ook stierf en begraven werd. Uit studie van oude kaarten en de vele perceelsgreppels, blijkt dat na de Romeinse periode dit gebied ofwel terug een bos werd ofwel voor landbouw gebruikt werd, aldus Sevenants.
Momenteel wordt door het agentschap RO Vlaanderen Onroerend Erfgoed, in overleg met Haviland, bepaald wat met deze archeologische vindplaatsen zal moeten gebeuren. Haviland investeerde reeds 150.000 euro in het archeologisch vooronderzoek. Momenteel is het wachten op het eindrapport van het archeologisch vooronderzoek. Dit eindverslag zal weergeven wat de omvang en de investering zal zijn van het archeologisch onderzoek dat gebaseerd is op het archeologisch vooronderzoek. Gelet op de reeds geïnvesteerde kosten en het feit dat dit een gewestelijk project is dat past binnen het economische belang van Vlaanderen, zal er onderzocht worden of dit voor het volledige bedrag kan gesubsidieerd worden, aldus Kris Leaerts.
Meer info: Walter Sevenants
Foto: copyright Triharch
door Tijl om 0:19 | Opgravingen | Reacties (0)
12 november 2007
Romeins pottenbakkersatelier in Asse in uitstekende staat bewaard
Sinds 31 mei wordt er aan de Krokegemseweg in Asse een Romeinse vicus opgegraven door de Onderzoekseenheid Archeologie van de K.U. Leuven. Projectverantwoordelijke Dr. Marc Lodewijckx wordt er bijgestaan door archeologen Kristine Magerman (terreinverantwoordelijke) en Ruben Pede. Het onderzoek bracht een uitstekend bewaard pottenbakkersatelier aan het licht.
Een eerste oven (foto links) was diep ingegraven en zowel het ovenkanaal, de tongvormige pijler als de ovenplaat met de luchtgaten waren nog in prima staat bewaard. Vooraan bevond zich nog de dakpan waarmee de ovenmond kon afgesloten worden. Ook de aanzet van de koepel was nog tot een aanzienlijke hoogte bewaard gebleven.

Een tweede oven (foto rechts) was minder goed bewaard gebleven en had een sleutelgatvormige basis. Opmerkelijk is de alleenstaande centrale pijler waarop de ovenplaat rustte. Deze oven was minder diep ingezet waardoor de ovenplaat en de aanzet van de koepel niet bewaard zijn gebleven.
In de onmiddellijke nabijheid van deze ovens werd een afvalkuil (foto links) aangetroffen die gevuld was met misbaksels, aardewerk van inferieure kwaliteit en stukken verbrande leem afkomstig van één van de ovens. Het vormenspectrum van de Assese pottenbakker omvatte voornamelijk kruiken, kruikamforen, borden, kommen en bekers. Opvallend was de aanwezigheid van misbaksels van kleine amforen (foto rechts) en dolia. Een tweede kuil in de onmiddellijke nabijheid van beide ovens had een lengte van meer dan 7 meter (foto onder rechts). Mogelijk houdt haar primaire functie verband met de preparatie van de klei voor het maken van aardewerk. Verder onderzoek van deze kuil zal dit moeten uitwijzen. In tweede instantie werd zij opgevuld met nederzettingsafval (aardewerk en enkele metalen voorwerpen waaronder mogelijk een werktuig van de pottenbakker).
Vermoedelijk waren deze ovens actief in de tweede helft van de 2de eeuw en/of het begin van de 3de eeuw n.C. De productieperiode van deze structuren zal exact bepaald worden met behulp van archeomagnetisch onderzoek. Daarvoor werkt de Onderzoekseenheid Archeologie van de K.U. Leuven samen met een gespecialiseerd team onder leiding van Prof. J. Hus, verbonden aan de Afdeling Omgevingsmagnetisme van het KMI te Dourbes.
Naast deze opmerkelijke vondsten in relatie tot de pottenbakkersindustrie van het Romeinse Asse werden ook nog talrijke andere sporen in het uitgestrekte opgravingsterrein aangetroffen. Dwars over het opgravingsterrein lopen twee diepe, parallelle grachten met een onderlinge afstand van ongeveer 7 meter. Vermoedelijk zijn ze de afwateringsgrachten van de baan die de Romeinse nederzettingen van Asse en Rumst verbond en die bij opgravingen in de jaren '50 en '80 ook reeds op de plaatsen Kalkoven en Koereit werd aangetroffen. Alhoewel het Romeinse wegdek niet meer kan herkend worden liggen de grachten die tijdens onze opgravingen werden aangetroffen op de verbindingslijn tussen beide vroegere waarnemingen van de Romeinse weg. Mogelijk zijn door erosie alleen deze diepere sporen bewaard gebleven.
In de nabijheid van de Romeinse baan werden diverse grote dakpanconcentraties aangetroffen. Naast twee uitgebreide concentraties werd recent een kleiner pakket pannen aangetroffen aan de overzijde van de Romeinse baan. Telkens betreft het zowel grote platte pannen (tegulae) als ronde dekpannen (imbrices) die vermoedelijk als een afvalpakket geïnterpreteerd kunnen worden. Verder onderzoek van deze drie concentraties zal meer duidelijkheid over hun betekenis en functie moeten brengen.
Meer info: Kristine Magerman, tel: 0474/29.95.67
door Priscilla om 8:57 | Opgravingen | Reacties (1)
